Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0368

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200607504/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bunnik (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning tweede fase te verlenen voor het aanbrengen van brandmeldinstallaties in het appartementencomplex op het perceel aan de Dorpsstraat 33 te Bunnik (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/225
Module Bouwregelgeving 2007/479
Module Vastgoed en wonen 2007/804

Uitspraak

200607504/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"ABO Holding B.V.", gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 06/2862 van de rechtbank Utrecht van 7 september 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunnik.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bunnik (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning tweede fase te verlenen voor het aanbrengen van brandmeldinstallaties in het appartementencomplex op het perceel aan de Dorpsstraat 33 te Bunnik (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2006, verzonden op 8 september 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. E.M. van Zelm, advocaat te De Bilt, ing. A. de Jong en dr. ir. N.P.M. Scholten, deskundigen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Visée, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het appartementencomplex bestaat uit een parkeergarage en bergingen in de kelder, winkel-/kantoorruimte op de begane grond en daarboven zeven appartementen. Het gebouw heeft één trappenhuis.

   Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het college aan appellante bouwvergunning tweede fase verleend voor het appartementencomplex, waarbij met toepassing van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 in plaats van een veiligheidstrappenhuis een vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie is toegestaan. De door appellante gewenste wijziging van deze vergunning, die heeft geleid tot het primaire besluit, houdt in dat de brandveiligheidsvoorziening in de vorm van een vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie wordt vervangen door extra rookmelders die onderling worden gekoppeld en aangesloten op een mini-meldcentrale.

2.2.    Ingevolge artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag de bouwvergunning tweede fase slechts en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoel in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is.

    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens het Bouwbesluit 2003.

   Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 behoeft niet te worden voldaan aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

   Ingevolge artikel 2.153, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een te bouwen bouwwerk voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

   Ingevolge artikel 2.153, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.153 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. In bedoelde tabel zijn voor de woonfunctie, anders dan van een woonwagen, alle leden van artikel 2.157 aangewezen.

   Ingevolge artikel 2.157, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 beginnen ter plaatse van een toegang van een subbrandscompartiment ten minste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen.

   Ingevolge artikel 2.157, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 kan, in afwijking van het eerste lid, worden volstaan met één rookvrije vluchtroute, indien het subbrandcompartiment meer dan een toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen.

   Ingevolge artikel 2.157, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 kunnen, in afwijking van het eerste lid, de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander subbrandcompartiment grenst.

   Ingevolge artikel 2.157, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003, kan in afwijking van het derde lid, het samenvallende gedeelte aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:

a. het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst,

b. de toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere subbrandcompartiment recht tegenover elkaar liggen en

c. het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructieonderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment.

   Ingevolge artikel 2.157, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2003, kan, in afwijking van het derde lid, het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:

a. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m², geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m²,

b. op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of

c. dat trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is.

   Ingevolge artikel 2.157, zesde lid, van het Bouwbesluit 2003 kan een vluchtroute een gemeenschappelijke vluchtroute zijn.

2.3.    Zoals appellante ter zitting heeft verklaard, is niet langer in geschil dat voor de beantwoording van de vraag of de door haar beoogde brandveiligheidsvoorziening gelijkwaardig is aan het bepaalde in artikel 2.153, gelezen in samenhang met artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003, bepalend is of deze voorziening dezelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met de eis in artikel 2.157, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2003.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bouwplan terecht in strijd met het Bouwbesluit 2003 heeft geacht. Zij voert hiertoe aan dat de aan te brengen brandmeldinstallaties dezelfde mate van veiligheid bieden als is beoogd in artikel 2.153 gelezen in samenhang met artikel 2.157, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2003, nu andere gemeenten de voorgestelde oplossing als zodanig hebben geaccepteerd en drie experts hebben verklaard dat het gebouw brandveilig is. Voorts heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat door middel van de bouwvergunning eerste fase reeds vergunning is verleend voor een met het bouwplan vergelijkbare situatie. Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat een vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie, zoals voorzien in de oorspronkelijke bouwvergunning tweede fase, niet realiseerbaar is, aldus appellante.

2.4.1.    Het betoog slaagt niet.

   Het college heeft aan zijn weigering bouwvergunning tweede fase te verlenen ten grondslag gelegd dat de door appellante voorgestane voorziening niet dezelfde mate van veiligheid biedt als een veiligheidstrappenhuis als bedoeld in artikel 2.157, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2003, aangezien een veiligheidstrappenhuis gegarandeerd rook- en brandvrij is, terwijl het voorgestelde trappenhuis slechts rookvrij is. Derhalve wordt, aldus het college, niet voldaan aan artikel 1.5 van dit besluit. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het advies van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (Nibra) van 6 maart 2006.

   Ter weerlegging van dit advies wijst appellante tevergeefs op het memorandum van 18 april 2005 van TNO, de notitie van 18 april 2006 van adviesbureau Nieman en het advies van 10 april 2006 van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de door appellante aangehaalde stukken ten onrechte uitgaan van de gelijkwaardigheid van de door appellante voorgestane voorzieningen met de portieksituatie als bedoeld in artikel 2.157, vijfde lid, onder a en b, van het Bouwbesluit 2003, welke bepalingen, gelet op de grotere gebruiksoppervlakte en het groter aantal op het trappenhuis aangewezen woonfuncties van het appartementencomplex, niet kunnen dienen als toetsingsmaatstaf als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.

   Het door appellante in beroep overgelegde memorandum van 13 juli 2006 van voormeld Expertisecentrum heeft geen betrekking op de onderhavige aanvraag, maar op een nieuwe gewijzigde aanvraag en is dan ook terecht door de rechtbank buiten beschouwing gelaten.

   Anders dan appellante betoogt is bij de bouwvergunning eerste fase geen vergunning verleend om af te wijken van het bepaalde in artikel 2.157, vijfde lid, onder c, van het Bouwbesluit 2003 door het toestaan van een met het bouwplan vergelijkbare situatie, aangezien op grond van artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet de aanvraag om bouwvergunning eerste fase niet wordt getoetst aan het Bouwbesluit 2003. Dat het in de oorspronkelijke bouwvergunning tweede fase toegestane vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie, zoals appellante betoogt, niet realiseerbaar zou zijn - hetgeen door het college wordt betwist - , is niet van belang, nu dit geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003.

   Voorts heeft de rechtbank, ten aanzien van de door appellante genoemde voorbeelden van gemeenten die de door haar voorgestane brandveiligheidsvoorziening zouden hebben geaccepteerd, terecht overwogen dat blijkens de gedingstukken de gemeente Den Haag de door appellante voorgestane voorziening enkel heeft geaccepteerd in combinatie met een overdrukinstallatie en uit die stukken niet is gebleken dat de gemeenten Eindhoven en Breda de voorziening zoals door appellante aangevraagd hebben geaccepteerd.

   Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003 en het college derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 56a, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, gehouden was de gevraagde bouwvergunning tweede fase te weigeren.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

429-488.