Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200704196/1 en 200704196/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast binnen drie maanden het gebruik van het pand (hierna: het pand) aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als showroom voor detailhandel in gordijnen, zonweringen en aanverwante zaken te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704196/1 en 200704196/2.

Datum uitspraak: 19 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3095 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast binnen drie maanden het gebruik van het pand (hierna: het pand) aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als showroom voor detailhandel in gordijnen, zonweringen en aanverwante zaken te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2007, verzonden op 8 mei 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Sieuwerts, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Sint Jozefparochie" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woongebied Wg". Het gebruik van het pand als showroom voor detailhandel in gordijnen, zonweringen en aanverwante zaken is daarmee in strijd.

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan is het verboden de gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming(en).

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank, door zijn beroep op het in het in artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht niet te honoreren, heeft miskend dat het gebruik, waarop de last ziet, moest worden getoetst aan het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan St. Jozef" (hierna: het uitbreidingsplan), in plaats van het bestemmingsplan "Vernieuwde regeling bijgebouwen bij woningen 1994" (hierna: de vernieuwde regeling).

2.3.1.    Dat betoog faalt. Ingevolge het bepaalde in de aanhef van hoofdstuk II van de voorschriften bij de vernieuwde regeling zijn deze van toepassing op het uitbreidingsplan. Bij de beantwoording van de vraag of het gebruik, waarop de last ziet, door het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht wordt beschermd, heeft de rechtbank dan ook terecht onderzocht of dat gebruik zich met de vernieuwde regeling verdraagt en het evenzeer terecht daarmee in strijd geacht. Nu artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften ingevolge het derde lid niet van toepassing is, indien het betreffende gebruik strijdig is met de in het vorige bestemmingsplan aangewezen bestemming, heeft de rechtbank appellant terecht niet gevolgd in zijn betoog. Dat voor het met de vernieuwde regeling strijdige gebruik, naar gesteld, vrijstelling krachtens artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zou kunnen worden verleend, leidt, wat daar verder van zij, niet tot een ander oordeel, reeds omdat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zodanige vrijstelling niet is verleend.

2.4.    Appellant betoogt verder vergeefs dat de rechtbank, door te concluderen dat geen concreet zicht op legalisatie van het gebruik, waarop de last ziet, bestaat, heeft miskend dat dat gebruik moet worden aangemerkt als de uitoefening van een "ambachtelijk bedrijf", als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften en daarvoor derhalve krachtens artikel 3.2.9, onder a, van die voorschriften vrijstelling kan worden verleend. Zelfs indien van de juistheid van dat betoog zou worden uitgegaan, brengt dat niet met zich dat zodanige vrijstelling ook verleend zou moeten worden. Concreet zicht op legalisatie heeft de rechtbank derhalve terecht niet aangenomen.

2.5.    Appellant betoogt ten slotte dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten, heeft miskend dat niet slechts één besluit rechtens mogelijk is en dat vereist is om van die bevoegdheid gebruik te mogen maken.

2.6.    Ten tijde van het nemen van het besluit van 11 mei 2006 gold het bestemmingsplan. Het college heeft het door appellant gemaakte bezwaar dan ook ten onrechte beoordeeld aan de hand van het uitbreidingsplan en de vernieuwde regeling. De inwerkingtreding van het bestemmingsplan heeft evenwel niet geleid tot een voor dit geschil relevante wijziging van het planologische regime, zodat moet worden aangenomen dat het college, zoals het heeft gesteld, na de vernietiging van dat besluit, een nieuw besluit van dezelfde strekking of inhoud zal nemen. De rechtbank heeft onder die omstandigheden niet ten onrechte toepassing gegeven aan de haar toekomende bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb     w.g. Van Roessel

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2007

457