Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200700730/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) voor zover van belang, [appellante] ter attentie van [directeur], onder oplegging van een dwangsom gelast, om binnen twee maanden na de verzending van het besluit de overtreding van de voorschriften verbonden aan de op 29 januari 1996 verleende gebruiksvergunning voor het pand [locatie], te Enschede, op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700730/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1143 van de rechtbank Almelo van 5 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) voor zover van belang, [appellante] ter attentie van [directeur], onder oplegging van een dwangsom gelast, om binnen twee maanden na de verzending van het besluit de overtreding van de voorschriften verbonden aan de op 29 januari 1996 verleende gebruiksvergunning voor het pand [locatie], te Enschede, op te heffen.

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder verduidelijking van de begunstigingstermijn.

Bij uitspraak van 5 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], vergezeld van [gemachtigde], en het college vertegenwoordigd door N.O. Knobben, werkzaam bij de gemeente Enschede, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [appellante] is in 1983 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken De Veluwe en Twente. Het doel van deze BV is het beleggen, beheren, vervreemden, verkrijgen en rendabel maken van onroerende goederen en vermogenswaarden. De BV is onder meer eigenaar van het pand [locatie], [Studentenhuis] en verhuurt kamers aan studenten.

   De rechtbank heeft overwogen dat de last onder dwangsom welke slechts aan de overtreder kan worden gericht, niet is gericht aan [appellante]. maar aan [naam] ter attentie van [directeur], zijnde de vermeende overtreders van de voorschriften van de voor het pand [locatie] verleende gebruiksvergunning. De rechtbank is van oordeel dat [appellante] door het bestreden besluit niet rechtstreeks in haar belangen is getroffen en om die redenen niet als belanghebbende bij dat besluit kan worden aangemerkt, zodat zij niet in het beroep kan worden ontvangen.

2.2.    Appellante heeft de overwegingen die de rechtbank aan de uitspraak ten grondslag heeft gelegd, gemotiveerd bestreden.

2.3.    Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken van het bestaan, naast appellante, zijnde de eigenaresse van het pand [locatie], van enige andere entiteit onder de [naam]. Vaststaat dat [directeur] noch onder zijn enkele persoonsnaam noch onder de [naam] dan wel een samenvoeging ervan, in het (rechts)verkeer met de gemeente Enschede is opgetreden.

   In hoger beroep is door appellante een groot aantal stukken overgelegd die van de zijde van de gemeentelijke organen en diensten sedert 1987 zijn verzonden aan appellante dan wel aan [naam], welke betrekking hebben op het pand [locatie]. Uit de stukken blijkt dat van de zijde van de gemeente Enschede, zelfs in de correspondentie over dezelfde kwesties, de officiële naam van appellante en de aanduiding [naam] door elkaar zijn gebruikt. De Afdeling constateert dan ook dat van die zijde laatstbedoelde aanduiding is gebruikt als verkorte aanduiding van appellante.

   Het moet er derhalve voor worden gehouden dat zowel de in 1996 verleende gebruiksvergunning als het besluit van 10 maart 2005 tot appellante zijn gericht.

   Het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift is ingediend onder de officiële naam van appellante en is uit dien hoofde terecht ontvangen.

   Dat het bestreden besluit niettemin is gericht tot [naam] bevestigt hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het gebruik van die aanduiding. Nu het beroepschrift van 22 september 2005 is ingediend door appellante heeft de rechtbank dit beroep ten onrechte op de door haar aangevoerde gronden niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.5.    Nu de rechtbank niet is toegekomen aan hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd omtrent het in bezwaar gehandhaafde besluit tot het opleggen van de dwangsom, acht de Afdeling het aangewezen dat de rechtbank zich daarover alsnog uitspreekt.

2.5.1.    De Afdeling zal de zaak dan ook met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State terugwijzen naar de rechtbank opdat zij haar opnieuw behandelt.

2.6.    Aangezien het college in beroep bij de rechtbank heeft bepleit dat appellante in het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten zijn verklaard en dat haar beroep bij de rechtbank niet-ontvankelijk was, dient het college op na te melden wijze in de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.    De Afdeling wijst erop dat de rechtbank zal dienen te beslissen omtrent de vergoeding van de proceskosten in beroep in eerste aanleg.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 januari 2007 in zaak no. 05/1143;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enschede tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Enschede aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden vergoed.

V.    gelast dat de gemeente Enschede aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

221.