Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0353

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200608898/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 4 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] sloopvergunning verleend voor het slopen van het dak/achtergevel en een gedeelte van de zijgevel van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel) en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk uitbreiden/renoveren van die bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608898/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/44 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 19 oktober 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 4 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] sloopvergunning verleend voor het slopen van het dak/achtergevel en een gedeelte van de zijgevel van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te Sint-Oedenrode (hierna: het perceel) en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk uitbreiden/renoveren van die bedrijfsruimte.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college het besluit van 4 juli 2005 herroepen, de bezwaren van appellanten, voor zover deze geacht worden te zijn gericht tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning, ongegrond verklaard en de bezwaren van appellanten, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 4 juli 2005 waarbij sloopvergunning is verleend, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2006, verzonden op 30 oktober 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

[vergunninghoudster] is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2007, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [directeur], daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    [vergunninghoudster] heeft alvorens de aanvraag om bouwvergunning in te dienen een schetsplan ingediend, door de gemeente ontvangen op 7 november 2003 (hierna: het schetsplan). Het schetsplan omvat een uitbreiding aan de zuidzijde van het perceel (zijde 't Achterom), en een kleinere uitbreiding en een renovatie van een bestaand gebouw aan de noordzijde van het perceel (zijde Ollandseweg). De aanvraag om bouwvergunning omvat slechts de uitbreiding en renovatie die aan de zijde van de Ollandseweg zijn voorzien.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een bouwvergunning van rechtswege is ontstaan en dat het college het besluit van 4 juli 2005 waarbij bouwvergunning is verleend, terecht heeft herroepen. Zij voeren daartoe aan dat een bij het college op 1 juni 2005 ingekomen tekening geen deel kan uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning die op 19 juli 2004 is ontvangen en dat onder die omstandigheden geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 17, vierde lid, onder h, - naar de Afdeling begrijpt onder i - van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" (hierna: het bestemmingsplan). Volgens appellanten bedraagt de afstand van het bouwplan tot aan de as van de Ollandseweg 15 tot 16 m, terwijl een minimale afstand van 25 m is voorgeschreven.

2.2.1.    Ingevolge artikel 17, vierde lid, onder i, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, bedraagt de minimale afstand van nieuw te bouwen bouwwerken tot aan de as van een weg waaraan wordt gebouwd 25 m, indien het een weg betreft die op de plankaart is aangeduid als '(on)verharde/half verharde weg en (spoor)weg(en)'.

2.2.2.    Anders dan appellanten menen, maakt de tekening die op 1 juni 2005 door de gemeente is ontvangen geen deel uit van de van rechtswege verleende bouwvergunning. Van deze bouwvergunning maken slechts de tekeningen die behoren bij de aanvraag deel uit.

   De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 17, vierde lid, onder i, van de voorschriften van het bestemmingsplan. De uitbreiding aan de zijde van de Ollandseweg ligt blijkens de tekeningen behorende bij de aanvraag op tenminste 25 m van de as van de Ollandseweg. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de schaal van de bouwtekeningen weliswaar 1:100 bedraagt, maar de inzet op die tekeningen, die de ligging van het bouwplan op het perceel en de kadastrale situatie van de omgeving weergeeft, 1:2000 bedraagt. De uitbreiding aan de zijde van 't Achterom maakt geen deel uit van de aanvraag zodat toetsing van die voorziene uitbreiding aan voormeld artikel 17, vierde lid, onder i, hier niet aan de orde is.

2.3.    Appellanten keren zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat de beslissing op bezwaar niet in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat ter motivering daarvan is verwezen naar het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Sint-Oedenrode van 12 oktober 2005 en dat geen sprake is van een aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 52a van de Woningwet. Nu zij in zoverre geen afzonderlijke gronden aanvoeren, maar volstaan met een verwijzing naar de overige gronden van het hoger beroep, en de aldus bestreden overwegingen niet onjuist zijn, wordt volstaan met het oordeel dat het hoger beroep in zoverre geen doel treft.

2.4.    De rechtbank heeft - in hoger beroep ook niet bestreden - met juistheid overwogen dat de termijn om te beslissen op de aanvraag om bouwvergunning op 3 december 2004 was verstreken. Voorts heeft zij met juistheid geoordeeld dat van rechtswege een bouwvergunning is ontstaan en dat het college het besluit van 4 juli 2005, waarbij het bouwvergunning heeft verleend, terecht heeft herroepen. Ten tijde van dat besluit was het college immers niet meer bevoegd om op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen.

2.5.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat verlening van de bouwvergunning kan worden gebaseerd op het welstandsadvies van 25 november 2003. Daartoe voeren zij aan dat het schetsplan, aan de hand waarvan dat welstandsadvies is opgesteld, afwijkt van de tekeningen behorende bij de aanvraag om bouwvergunning.

2.5.1.    Dit betoog faalt. De tekeningen die behoren bij de aanvraag om bouwvergunning wijken wat de uitbreiding aan de zijde van de Ollandseweg betreft niet af van het schetsplan. De bouwvergunning heeft alleen betrekking op die uitbreiding. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het aan de hand van het schetsplan opgestelde welstandsadvies van 25 november 2003 aan de verlening van bouwvergunning ten grondslag mocht worden gelegd.

2.6.    Ten aanzien van de sloopvergunning stellen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte die vergunning heeft verleend omdat het geen onderzoek heeft gedaan naar chemisch verontreinigd sloopafval. Zij vrezen dat het geïmpregneerd hout, waaruit - naar zij stellen - het sloopafval bestaat, schade toebrengt aan het milieu omdat het niet conform de daarvoor geldende wettelijke bepalingen wordt verwijderd en verwerkt.

2.6.1.    Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Sint-Oedenrode (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

   Ingevolge artikel 8.1.6 van de bouwverordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

2.6.2.    Ingevolge artikel 8.1.6. van de bouwverordening kan een sloopvergunning slechts worden geweigerd op één van de daarin vermelde gronden. De bescherming van het milieu tegen ongeschikte wijze van verwijderen en verwerken van verontreinigd sloopafval behoort daar niet toe. Derhalve was het college niet gehouden ter voorbereiding van het besluit op de aanvraag om de sloopvergunning onderzoek te doen naar de aanwezigheid van chemisch verontreinigd sloopafval. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank, zij het op andere gronden, het beroep tegen de sloopvergunning terecht ongegrond heeft verklaard.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep van appellanten ongegrond is verklaard, dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd. Het verzoek om de gemeente Sint-Oedenrode te veroordelen in de schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb dient daarom te worden afgewezen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. Huijben

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

313-531.