Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200704117/1 en 200704117/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft appellant (hierna: de RDW) de aan [wederpartij], handelend onder de naam Caravanland (hierna: [wederpartij]), verleende erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704117/1 en 200704117/2.

Datum uitspraak: 17 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. SBR 07/724 en SBR 07/723 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 1 mei 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], handelend onder de naam Caravanland,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft appellant (hierna: de RDW) de aan [wederpartij], handelend onder de naam Caravanland (hierna: [wederpartij]), verleende erkenning bedrijfsvoorraad voor zes weken ingetrokken.

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft de RDW het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2007, verzonden op de volgende dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de RDW opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Voorts heeft de RDW de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 26 juni 2007 heeft [wederpartij] een reactie ingediend.

Bij brief van 3 juli 2007 heeft de RDW een nadere reactie ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 5 juli 2007. Partijen zijn daar, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) kan de RDW aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen, waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

   Ingevolge het vierde lid kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

   Ingevolge artikel 64, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen belast de bij besluit van de RDW aangewezen ambtenaren. Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfsvoorraad door deze gevoerde administratie.

   Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een erkenning is verleend.

   Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend in strijd handelt met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de krachtens de desbetreffende voormelde bepalingen vastgestelde Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, bestaat het toezicht op het erkende bedrijf uit het uitvoeren van periodieke controles door de daartoe bevoegde ambtenaren.

   Ingevolge het tweede lid moeten de in het eerste lid bedoelde ambtenaren desgevraagd behoorlijk in de gelegenheid worden gesteld te onderzoeken of het erkende bedrijf aan de gestelde eisen en voorschriften voldoet. Het erkende bedrijf dient inzage te geven in de met betrekking tot de erkenning en bevoegdheden te voeren administratie en het in artikel 6, tweede lid, onder f, bedoelde kwaliteitshandboek. Tevens dient het op verzoek van bedoelde ambtenaren de voertuigen die in de bedrijfsvoorraad zijn aangemeld alsmede de daarbij behorende kentekenbewijzen en kentekenplaten te tonen.

2.3.    De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de omstandigheid dat de controle op 13 december 2006 niet heeft kunnen plaatsvinden niet in overwegende mate aan [wederpartij] kan worden toegerekend. Deze heeft volgens de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de controleur zich zodanig heeft geuit, dat hij daaruit heeft mogen opmaken dat de controleur in ieder geval ook de handelaarskentekenplaten wilde controleren en dat, wanneer de platen niet aanwezig zouden zijn, controle op dat moment niet zinvol zou zijn. Onder deze omstandigheden kan [wederpartij] volgens de voorzieningenrechter niet worden tegengeworpen dat hij de controleur niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld te onderzoeken of diens bedrijf aan de gestelde eisen en voorschriften voldoet en berust het besluit van 13 maart 2007, waarin dat wel gebeurt, daarom niet op een draagkrachtige motivering.

2.4.    De RDW klaagt dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter aldus heeft miskend dat het toezicht niet afhankelijk is van toestemming van de gecontroleerde en de beoogde controle tevens betrekking had op de erkenning bedrijfsvoorraad.

2.5.    Dat betoog slaagt. [wederpartij] heeft op 31 oktober 2006 door ondertekening van de Verklaring controle erkenning bedrijfsvoorraad en/of handelaarskentekens en -kentekenbewijzen verklaard dat, nu hij vanwege de wijze waarop het bedrijf wordt uitgeoefend niet altijd op kantoortijden direct aan controle door de RDW medewerking kan verlenen, en onderschrijft dat controle alleen zin heeft als die relatief onaangekondigd plaatsvindt, "binnen vijftien minuten na een telefonische aankondiging van de RDW op één van de opgegeven telefoonnummers hijzelf of een door hem gemachtigde persoon de bedrijfsvoorraad, de handelaarskentekens en de administratie kunnen worden gecontroleerd op het bij de RDW bekende adres".

   Niet is in geschil dat de bedrijvencontroleur op 13 december 2006 het bedrijf van [wederpartij] niet heeft kunnen bezoeken, hij de bij hem bekende telefoonnummers heeft gebeld en daarbij bleek dat controle binnen vijftien minuten niet mogelijk was. Evenmin is in geschil dat de RDW de erkenning deswege krachtens  artikel 11, tweede lid, van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 64, eerste lid, en artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994, kon intrekken.

   De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat [wederpartij] geen verwijt treft en de RDW daarom van die bevoegdheid geen gebruik mocht maken. Dat [wederpartij], zoals deze stelt, in de veronderstelling verkeerde dat de controleur ook de handelaarskentekenplaten wilde zien en controle niet zinvol zou zijn, omdat hij met deze kentekenplaten onderweg was en hij in samenspraak met zijn echtgenote van de controle heeft afgezien, leidt niet tot dat oordeel. Zelfs indien, in weerwil van wat de RDW daarover gemotiveerd heeft gesteld, wordt aangenomen dat de controleur aan [wederpartij] en diens echtgenote  te kennen heeft gegeven dat hij de kentekenplaten wilde zien, blijft dat [wederpartij] ervoor heeft gekozen de controleur niet in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of zijn bedrijf aan de gestelde eisen en voorschriften voldoet, waartoe hij verplicht was.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep ongegrond verklaren.

2.7.    Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 mei 2007, voor zover die is gedaan in zaak no. SBR 07/723;

III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb     w.g. Van der Smissen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007

419