Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
200702071/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 1 F Vluchtelingenverdrag / faciliteren misdrijf

Niet in geschil is dat appellant heeft nagelaten de tweede man van de TO, [persoonsnaam], aan te spreken op het gedrag van leden van de TO. Indien appellant dat wel zou hebben gedaan, zou het effect afhankelijk zijn van de wil om op te treden van deze tweede man van de TO. Niet aannemelijk is geworden dat appellant daarop een effectieve invloed kon uitoefenen. Gelet hierop is niet voldaan aan het vereiste dat dit nalaten van appellant een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf. In dat verband is van belang dat appellant heeft verklaard dat [persoonsnaam] zelf verantwoordelijk was voor de samenstelling van de speciale teams en op de hoogte was van de gedragingen van de leden daarvan, hetgeen de minister niet ongeloofwaardig heeft geacht. Evenmin is in geschil dat appellant in de periode van mei tot juli 1992 deel heeft uitgemaakt van de TO. In het aanvullend gehoor van 8 november 2002 heeft hij verklaard dat zijn taak binnen de TO beperkt was tot het assisteren van de commandant van de groep, die tot taak had de olieraffinaderij te verdedigen. Onduidelijk is in hoeverre appellant in dat verband een leidinggevende positie bekleedde. Voorts bevatten de verklaringen van appellant en de door de minister in het besluit van 14 december 2005 geciteerde bronnen geen informatie over de omvang en organisatiestructuur van de TO en de positie van de speciale teams daarbinnen, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat appellant in een positie verkeerde, waarin hij aanwijzingen en instructies aan de speciale teams kon geven. Derhalve is evenmin aannemelijk geworden dat appellant in dat opzicht in een positie verkeerde waarin hij de mogelijkheid had de misdrijven te voorkomen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/390
Ars Aequi RV20070007 met annotatie van M. van Eik

Uitspraak

200702071/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante],

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/2309 en 06/2310 van de rechtbank 's Gravenhage van 16 februari 2007 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 14 december 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van [appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante; gezamenlijk: appellanten) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 februari 2007, verzonden op 22 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 april 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 (F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: het Vluchtelingenverdrag), zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.2. Volgens pararaaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, is het aan de minister om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) valt.

Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F), wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder persoonlijke deelname wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van de misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat deze misdrijven hebben plaatsgevonden. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf of de misdrijven en dat het misdrijf of de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou of zouden hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf of de misdrijven te voorkomen.

2.3. Appellant heeft verklaard dat hij in de periode van mei tot juli 1992 deel heeft uitgemaakt van de Territoriale Verdediging (hierna: TO) van de stad [plaatsnaam] in Bosnië en Herzegovina. Hij assisteerde de commandant van de groep die tot taak had de olieraffinaderij te verdedigen. Zijn taak bestond uit het plannen van de posities van de mannen en het af en toe bezoeken van de wachtposten om te kijken of alles in orde was. Verder heeft appellant verklaard dat er vanuit de TO speciale teams waren opgericht om in [plaatsnaam] achtergebleven Servische burgers op te sporen en uit hun huizen te halen. De mannen werden vervolgens van de vrouwen en kinderen gescheiden en als krijgsgevangenen in de ijzergieterij in de plaats [plaatsnaam] vastgehouden. Hij heeft verklaard geen enkele bemoeienis te hebben gehad bij het uit hun huizen halen van Servische burgers. Ook heeft appellant verklaard dat de tweede man van de TO, [persoonsnaam], een goede bekende van hem was en deze wel iets had kunnen doen aan het verhinderen van de misdrijven.

2.4. De minister heeft appellant in verband gebracht met mishandeling en deportatie van Servische burgers. Uit algemene bronnen is gebleken dat in concentratiekampen in [plaatsnaam] op grote schaal Servische gevangenen zijn mishandeld en gefolterd en dat het terrein van de ijzergieterij bekend staat als het concentratiekamp Strolit.

2.5. In het besluit van 14 december 2005 en het voornemen daartoe, dat betrekking heeft op appellant, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellant de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht direct heeft gefaciliteerd, omdat hij heeft nagelaten om als leidinggevende van de TO het mishandelen en deporteren van Serviërs een halt toe te roepen. Voorts heeft appellant nagelaten om de misdrijven bij de tweede man van de TO, [persoonsnaam], aan de kaak te stellen door hem aan te spreken op het gedrag van leden van de TO. Dit terwijl deze [persoonsnaam] een goede bekende van hem was.

2.6. In de grief klagen appellanten dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant in een positie verkeerde om iets aan de mishandelingen en deportaties te doen. In dat verband betogen zij, dat uit het door appellant verklaarde niet kan worden afgeleid dat hij een leidinggevende functie bezat en het feit dat de tweede man van de TO een goede bekende van hem was, niet betekent, dat hij daardoor in staat was de mishandelingen en deportaties te voorkomen.

2.6.1. Het direct faciliteren van een misdrijf, als bedoeld in pararaaf C1/5.13.3.3 van de Vc 2000, vereist dat het nalaten in wezenlijke mate aan het misdrijf heeft bijgedragen. Het nalaten dient een feitelijk effect op het begaan van het misdrijf te hebben gehad in die zin dat het hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien appellant gebruik had gemaakt van de mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

Niet in geschil is dat appellant heeft nagelaten de tweede man van de TO, [persoonsnaam], aan te spreken op het gedrag van leden van de TO. Indien appellant dat wel zou hebben gedaan, zou het effect afhankelijk zijn van de wil om op te treden van deze tweede man van de TO. Niet aannemelijk is geworden dat appellant daarop een effectieve invloed kon uitoefenen. Gelet hierop is niet voldaan aan het vereiste dat dit nalaten van appellant een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf. In dat verband is van belang dat appellant heeft verklaard dat [persoonsnaam] zelf verantwoordelijk was voor de samenstelling van de speciale teams en op de hoogte was van de gedragingen van de leden daarvan, hetgeen de minister niet ongeloofwaardig heeft geacht.

Evenmin is in geschil dat appellant in de periode van mei tot juli 1992 deel heeft uitgemaakt van de TO. In het aanvullend gehoor van 8 november 2002 heeft hij verklaard dat zijn taak binnen de TO beperkt was tot het assisteren van de commandant van de groep, die tot taak had de olieraffinaderij te verdedigen. Onduidelijk is in hoeverre appellant in dat verband een leidinggevende positie bekleedde. Voorts bevatten de verklaringen van appellant en de door de minister in het besluit van 14 december 2005 geciteerde bronnen geen informatie over de omvang en organisatiestructuur van de TO en de positie van de speciale teams daarbinnen, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat appellant in een positie verkeerde, waarin hij aanwijzingen en instructies aan de speciale teams kon geven. Derhalve is evenmin aannemelijk geworden dat appellant in dat opzicht in een positie verkeerde waarin hij de mogelijkheid had de misdrijven te voorkomen.

Gelet op het voorgaande is het standpunt van de minister in het bij de rechtbank bestreden besluit dat appellant de misdrijven direct heeft gefaciliteerd, omdat hij heeft nagelaten deze te voorkomen, ondeugdelijk gemotiveerd.

2.7. De grief is terecht voorgedragen. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.8. Uit hetgeen de Afdeling hiervoor onder 2.6.1 heeft overwogen volgt dat het inleidende beroep van appellant gegrond is. Het desbetreffende besluit van 14 december 2005 dient te worden vernietigd. Aangezien het bij de rechtbank bestreden besluit ten aanzien van appellante, gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vreemdelingenwet 2000, is afgeleid van het ten aanzien van appellant genomen besluit, is het inleidende beroep eveneens gegrond en dient het ten aanzien van appellante genomen besluit eveneens te worden vernietigd.

2.9. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 februari 2007 in de zaken nos. AWB 06/2309 en 06/2310;

III. verklaart de door appellanten bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 14 december 2005;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

307

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak