Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9875

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200703410/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 10 lid 2 Awbi / identificatieplicht

Artikel 10, tweede lid, van de Awbi stelt niet de eis dat degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden in het door hem op te maken verslag de namen vermeldt van degenen die hem daarbij hebben vergezeld. De rechtbank heeft derhalve bij de beantwoording van de vraag of de opsporingsambtenaren die de twee in de machtiging genoemde opsporingsambtenaren bij het binnentreden hebben vergezeld, rechtmatig zijn binnengetreden, een onjuiste maatstaf gehanteerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden
Algemene wet op het binnentreden 8
Algemene wet op het binnentreden 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703410/1.

Datum uitspraak: 5 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatsecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/16733 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 8 mei 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en haar schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2007 heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi) kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, maakt degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, voor zover hier van belang, vermeldt hij in het verslag het aantal en de hoedanigheid van degenen die hem hebben vergezeld.

2.2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet kan worden beoordeeld of is binnengetreden met inachtneming van artikel 8, tweede lid, van de Awbi, nu niet is gebleken wie de andere vier opsporingsambtenaren zijn geweest die gezamenlijk met de twee in de machtiging genoemde opsporingsambtenaren binnen zijn getreden.

2.3. De grief slaagt in zoverre. Artikel 10, tweede lid, van de Awbi stelt niet de eis dat degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden in het door hem op te maken verslag de namen vermeldt van degenen die hem daarbij hebben vergezeld. De rechtbank heeft derhalve bij de beantwoording van de vraag of de opsporingsambtenaren die de twee in de machtiging genoemde opsporingsambtenaren bij het binnentreden hebben vergezeld, rechtmatig zijn binnengetreden, een onjuiste maatstaf gehanteerd.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in grief 1 en in grief 2 is aangevoerd behoeft geen bespreking.

De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 8 mei 2007 in zaak no. AWB 07/16733;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en

mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007

345

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak