Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200603864/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: de stadsdeelraad), op voorstel van het dagelijks bestuur van 22 september 2005, het bestemmingsplan "Oud-West" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/1229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603864/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de vereniging "Bewonersvereniging Overtoom", gevestigd te Amsterdam,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: de stadsdeelraad), op voorstel van het dagelijks bestuur van 22 september 2005, het bestemmingsplan "Oud-West" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 april 2006, kenmerk 2006-20175, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, de Bewonersvereniging Overtoom bij brief van 18 juni 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, [appellante sub 3] bij brief van 20 juni 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, [appellant sub 4] bij brief van 24 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2006, en [appellanten sub 5] bij brief van 16 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2006, beroep ingesteld. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 19 juli 2006.

[appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 juni 2006.

Bij brief van 14 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de stadsdeelraad en [appellant sub 4]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de stadsdeelraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2007, waar

[appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, de Bewonersvereniging Overtoom, vertegenwoordigd door R. Stuyver, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. P.W.L. Russell, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door R.P. Agterkamp, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door ir. M. Wagenaar en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Contant, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de stadsdeelraad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud en mr. W.D. de Vos, beiden advocaat te Amsterdam, en mr. M. Schravendeel, ambtenaar van het stadsdeel Oud-West.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Het beroep is door [appellant sub 5A] ingediend namens hemzelf en mede namens 47 medebewoners van de Bellamybuurt.

2.2.1.    Enkele van deze medebewoners, te weten [11 medebewoners] hebben geen bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 5A], voor zover ingediend namens [11 medebewoners] is dan ook niet ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de stadsdeelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

Het standpunt van [appellante sub 3]

2.4.    [appellante sub 3] stelt in beroep dat het bestreden besluit slechts zeer summier is gemotiveerd en reeds hierom in strijd is met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Daartoe is aangevoerd dat in het door verweerder onderschreven advies van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is gesteld dat de weergave en de beantwoording van de bedenkingen in de reactie van het stadsdeelbestuur op de ingebrachte bedenkingen erg beperkt zijn verwoord.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet. Uit het geheel van overwegingen, zoals door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, kan worden afgeleid dat verweerder het plan heeft beoordeeld mede op basis van de ingebrachte bedenkingen. Met betrekking tot deze bedenkingen is in het bestreden besluit vastgesteld dat deze in grote lijnen dezelfde inhoud hebben als de bij het stadsdeelbestuur ingediende zienswijzen. Omdat verweerder, mede gelet op het aan hem uitgebrachte advies van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, zich heeft kunnen verenigen met de inhoud van de voordracht aan de stadsdeelraad, waarin op deze zienswijzen is ingegaan, alsook met de naar aanleiding van de bij hem ingebrachte bedenkingen door het stadsdeelbestuur uitgebrachte en in het bestreden besluit overgenomen Nota van beantwoording van deze bedenkingen heeft verweerder ter motivering van het bestreden besluit in de eerste plaats naar deze reacties van het stadsdeelbestuur verwezen. In aanvulling hierop heeft verweerder zijn beoordeling van het plan in het bestreden besluit nader gemotiveerd, waarbij ook op een aantal bedenkingen mede naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gekomen, nader is ingegaan. Aldus kan niet met recht worden gesteld dat de motivering van het bestreden besluit te summier is en dat uit dit besluit niet in voldoende mate blijkt wat het standpunt van verweerder is ten aanzien van de tegen het plan ingebrachte bedenkingen en om welke redenen verweerder bij afweging van de betrokken belangen het plan heeft goedgekeurd.

Het standpunt van [appellanten sub 5]

2.5.    [appellanten sub 5] stellen dat de volumestudie, die de grondslag vormt voor de vrijstellingsbevoegdheid en de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 6, zevende lid, onderscheidenlijk artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften, te laat in procedure is gebracht waardoor zij een inspraakmogelijkheid minder hebben gehad.

2.5.1.    De Afdeling stelt voorop dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw te worden doorlopen.

   In dit geval bevatte het ontwerpbestemmingsplan ook reeds een vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van een overschrijding van de bouwhoogte en een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een uitbreiding van de bouwmogelijkheden naar de tuin. Door in het vastgestelde plan door middel van een vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheid de uitbreidingsmogelijkheden voortvloeiend uit de volumestudie op te nemen, zijn deze uitbreidingsmogelijkheden voor een aantal percelen in de Wenslauerstraat vergroot. Daarmee is echter geen sprake van een afwijking van het ontwerpplan die naar aard en omvang zo groot is dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bewoners in het kader van het opstellen van de volumestudie inspraakmogelijkheden hebben gehad.

2.5.2.    Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat met de gewijzigde vaststelling van het plan kon worden volstaan en dat de wettelijke procedure, met inbegrip van de gelegenheid tot inspraak en indienen van zienswijzen tegen een nieuw ontwerpbestemmingsplan, niet opnieuw behoefde te worden doorlopen.

Het plan

2.6.    Het plan voorziet in een juridisch planologische regeling voor het stadsdeel Oud-West, behoudens ten aanzien van de locatie De Hallen en het oostelijk deel van het terrein waar het voormalige Wilhelmina Gasthuis stond, en heeft overwegend een conserverend karakter.

   Verweerder heeft het plan, behoudens artikel 18 van de planvoorschriften, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het, met uitzondering van artikel 18, goedgekeurd.

Luchtkwaliteit

Het standpunt van [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Overtoom

2.7.    [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Overtoom stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, aangezien uit onderzoek niet is gebleken dat het voldoet aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). De Bewonersvereniging Overtoom voert daartoe aan dat verweerder ten onrechte haar bedenkingen betreffende de luchtkwaliteit buiten beschouwing heeft gelaten. Verder stellen [appellanten sub 1] dat luchtkwaliteitsonderzoeken niet ter inzage hebben gelegen.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder heeft de bedenkingen van [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Overtoom inzake de luchtkwaliteit buiten beschouwing gelaten aangezien ten aanzien van dit onderwerp geen zienswijze zou zijn ingediend. Overigens stelt hij zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het Blk 2005, aangezien het bestemmingsplan een conserverend karakter heeft en het plan slechts zeer beperkt ontwikkelingen mogelijk maakt, die bovendien grotendeels via een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid zijn toegestaan.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

2.7.2.    Op 5 augustus 2005 is het Blk 2005 in werking getreden. In artikel 37 van het Blk 2005 is bepaald dat het besluit terugwerkende kracht heeft tot 4 mei 2005.

   In artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen.

   In artikel 7, tweede lid, sub c, van het Blk 2005 zijn onder meer besluiten omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan, wijzigingsplannen en binnenplanse vrijstellingen aangewezen als bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

   In artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede kunnen uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.3.    De Afdeling stelt vast dat appellanten in hun zienswijzen en bedenkingen ook luchtkwaliteitsaspecten naar voren hebben gebracht. Ter zitting is door verweerder erkend dat de bedenkingen van [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Overtoom inzake de luchtkwaliteit ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. De Afdeling ziet hierin evenwel geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit omdat verweerder ambtshalve in het bestreden besluit is ingegaan op het aspect luchtkwaliteit.

2.7.4.    Uit artikel 37 van het Blk 2005 volgt dat het Blk 2005 op dit geding van toepassing is.

2.7.5.    In de plantoelichting staat vermeld dat op de belangrijkste verkeerswegen in Amsterdam de normen van het Besluit luchtkwaliteit worden overschreden. Voorts is vermeld dat het plan, vanwege het conserverende karakter niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt en in zoverre voldoet aan het Besluit luchtkwaliteit.

2.7.6.    Voor een onderzoek naar de gevolgen van een besluit voor de luchtkwaliteit is naar het oordeel van de Afdeling onder de vigeur van het Blk 2005 slechts aanleiding indien op voorhand niet is uitgesloten dat dit besluit een verslechtering van de luchtkwaliteit met zich kan brengen. Gezien

artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 staat een reeds bestaande overschrijding van een voor de luchtkwaliteit gestelde grenswaarde immers niet in de weg aan het uitoefenen van een bevoegdheid, zolang de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht niet verder toeneemt.

2.7.7.    Het plan heeft een conserverend karakter. Voor zover het plan bepaalde nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, zoals het oprichten van hotels, is dit slechts via een wijzigingsbevoegdheid toegestaan. Daarnaast laat het plan ten behoeve van functiemenging waarbij de woonfunctie voorop staat, kleinschalige ontwikkelingen toe, zoals het onder voorwaarden omzetten van een op de begane grond gevestigde (woon)functie naar "horeca-drinken" en "horeca-eten", dan wel, na toepassing van een binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid, het uitbreiden van dergelijke functies.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft een volledig afgewogen beoordeling van de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van deze bevoegdheden thans niet plaatsgevonden, en stellen de stadsdeelraad en verweerder zich op het standpunt dat deze aspecten bij de uitoefening van die bevoegdheden ten behoeve van een concreet wijzigingsplan of plan tot functieuitbreiding dienen te worden bezien.

2.7.8.    Verweerder heeft zich, gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, onder c, van het Blk 2005, en gelet op de omstandigheid dat het bij een wijzigingsbevoegdheid gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het opnemen in de planvoorschriften van deze bevoegdheid geen onderzoek behoefde te worden uitgevoerd naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van door toepassing van die bevoegdheid eventueel mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit en de onzekerheid of en wanneer van de bedoelde bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt, niet vaststaat dat een ten tijde van de onderhavige besluitvorming uitgevoerd onderzoek naar gevolgen voor de luchtkwaliteit bruikbare informatie biedt met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid op het moment dat van die bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt.

   Voorts acht de Afdeling aannemelijk dat de overige in dit plan voorziene nieuwe ontwikkelingen, vanwege het kleinschalige karakter daarvan, slechts in zodanig geringe mate tot een toename van het aantal verkeersbewegingen zullen leiden dat, gelet op de bestaande verkeersintensiteit ter plaatse, niet te verwachten is dat dit leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

   Gelet op het vorenstaande hebben de stadsdeelraad en verweerder van een onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit kunnen afzien. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onderzoeken inzake luchtkwaliteit ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen.

Bomen en groen

Het standpunt van de Bewonersvereniging Overtoom

2.8.    De Bewonersvereniging Overtoom stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan aangezien noch door middel van een aanduiding op de plankaart noch in de voorschriften is voorzien in de bescherming van bomen en groen. Dit, terwijl het stadsdeelbestuur in het kader van de bomen(kap)verordening nog steeds geen lijst van bijzonder beschermenswaardige houtopstand heeft vastgesteld.

Het standpunt van verweerder

2.8.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de hoofdlijnen van de groenstructuren en het groenbeleid in het plan staan en dat het beschermen van bomen door middel van de kapverordening gebeurt. Het opnemen daarvan in het bestemmingsplan is dan dubbelop, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.8.2.    Volgens de plantoelichting zijn er in verhouding tot het bebouwd oppervlak weinig groene ruimten in het stadsdeel aanwezig en staat het behoud van het bestaande groen voorop. De bomen aan de kades zijn in combinatie met het water het meest beeldbepalend. De Overtoom en de Bilderdijkstraat zijn de enige hoofdwegen waarlangs zich bomen van enig formaat bevinden.

   In de plantoelichting is voorts vermeld dat de bomen in Oud-West sfeerbepalend zijn voor de winkelstraten en ruimte krijgen in de plannen. De continuïteit van de bomenrij over de volle lengte van de verschillende straten is hierbij aandachtspunt. Bomen worden -indien mogelijk- tot aan de kruisingen doorgezet. Juist dit laatste aspect is essentieel, omdat dit het typische karakter van de 19e eeuwse wijk typeert, aldus de plantoelichting.

2.8.3.    Ingevolge artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 1 van de bomen(kap)verordening van het stadsdeel Oud-West, is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur houtopstand, waaronder bomen, heggen of een beeldbepalende klimplant, te vellen of te doen vellen. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de bomen(kap)verordening dient bij de vergunningverlening te worden getoetst aan natuur- en milieuwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, waarden van stadsschoon, waarden voor recreatie en leefbaarheid en waarden van bijzondere beschermwaardigheid. Ingevolge artikel 7, derde lid, van de bomen(kap)verordening, wordt geen vergunning verleend voor bijzondere beschermenswaardige houtopstand, en houtopstand voorkomende op de nationale, monumentale, Amsterdamse en de door het dagelijks bestuur op te stellen lijst van bijzonder beschermenswaardige houtopstand, tenzij er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid of een andere acute noodtoestand.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.4.    Gelet op de plantoelichting, zoals onder 2.8.2. aangehaald, stelt de Afdeling vast dat aan het plan het uitgangspunt ten grondslag ligt dat de bestaande bomenstructuur in het plangebied gehandhaafd blijft. Voorts geldt er voor dit stadsdeel op grond van de bomen(kap)verordening een kapverbod, behoudens vergunningverlening. Met verweerder kan worden geoordeeld dat het in die verordening opgenomen vergunningenstelsel reeds voldoende bescherming biedt voor de bomen in het plangebied. Verweerder heeft zich dan ook gelet op de in de bomen(kap)verordening neergelegde waarborgen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er uit planologisch oogpunt geen noodzaak bestond om daarnaast nog een specifieke bescherming in de planvoorschriften op te nemen.

   De omstandigheid dat er op grond van de bomen(kap)verordening nog geen lijst van bijzonder beschermenswaardige houtopstand is vastgesteld, doet hier niet aan af aangezien dit onverlet laat dat bij vergunningverlening dient te worden getoetst aan de in artikel 7, tweede lid, van de bomen(kap)verordening genoemde waarden waaronder die van de bijzondere beschermwaardigheid.

Artikel 9, tweede lid, sub a en b, van de planvoorschriften

De toepasselijke voorschriften

2.9.    In artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften is ten aanzien van de gronden op de plankaart aangewezen voor "Tuinen en Erven" (T) onder meer het volgende bepaald:

a. bouwwerken die bestaan ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan mogen worden gehandhaafd en vernieuwd, met dien verstande dat ze niet mogen worden vergroot;

b. bouwwerken waarvoor een bouwvergunning is verstrekt en "bebouwing op Tuinen en Erven" mogen worden gehandhaafd en vernieuwd of gecompenseerd elders op het perceel waarop de bouwaanvraag betrekking heeft, met dien verstande dat ze niet mogen worden vergroot en aanbouwen niet worden veranderd in bijgebouwen.

2.9.1.    In artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften is, voor zover thans van belang, bepaald dat bouwwerken die bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, dan wel worden opgericht krachtens hetzij een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning, dan wel daarna worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en die afwijken van het plan, op voorwaarde dat de bestaande afwijking van het plan niet wordt vergroot, gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd.

Het standpunt van de Bewonersvereniging Overtoom

2.9.2.    De Bewonersvereniging Overtoom stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 9, tweede lid, sub a en b, van de planvoorschriften, omdat de in deze artikelonderdelen vervatte planregeling ten onrechte beoogt illegale bebouwing op de binnenterreinen te legaliseren. Voorts stelt de Bewonersvereniging Overtoom zich op het standpunt dat illegale bebouwing niet twee keer onder het overgangsrecht gebracht mag worden en dat er een beginselplicht tot handhaving bestaat.

Het standpunt van verweerder

2.9.3.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 9, tweede lid, sub a en b, van de planvoorschriften in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze bepalingen goedgekeurd. Volgens verweerder is de aanwezige bebouwing op de binnenterreinen niet onder het overgangsrecht gebracht maar planologisch erkend door middel van de bestemming "Tuinen en Erven". Daarbij heeft verweerder er, mede in het kader van de economische uitvoerbaarheid van het plan, op gewezen dat er onvoldoende middelen zijn om de binnenterreinen geheel op te schonen.

Het standpunt van de stadsdeelraad

2.9.4.    Van de zijde van de stadsdeelraad is ter zitting toegelicht dat in het kader van het voorliggende plan alle bestaande bebouwing op de binnenterreinen is geïnventariseerd en dat alle bebouwing die ten tijde van deze inventarisatie aanwezig was, in het voorliggende plan de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" heeft gekregen. Tegen nadien opgerichte illegale bebouwing zal handhavend worden opgetreden, aldus de stadsdeelraad.

   Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en bedenkingen heeft het stadsdeelbestuur aangegeven dat het na uitvoerige discussie en het afwegen van alle argumenten heeft gekozen voor legalisatie van illegale bebouwing. Volgens het stadsdeelbestuur dient de kwaliteit van de binnenterreinen en tuinen te worden behouden en indien mogelijk te worden versterkt. Volgens het stadsdeelbestuur is het evenwel, gelet op de lange procedures, de moeilijke bewijslast voor het stadsdeelbestuur, de beperkte ambtelijke capaciteit en de kosten, ondoenlijk handhavend op te treden tegen alle in het verleden illegaal opgerichte bebouwing teneinde de binnenterreinen weer leeg te krijgen. Daarbij is opgemerkt dat bepaalde bouwwerken er reeds lange tijd staan en dat een systematische controle en handhaving tot voor kort niet plaatsvond. Voorts is opgemerkt dat veel illegaal gebouwde bouwwerken thans op grond van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken bouwvergunningsvrij zijn. Daarnaast is door het stadsdeelbestuur verwezen naar de in februari 2005 vastgestelde "Visie Handhaving Oud-West" waarin een integrale stelselmatige aanpak van de handhaving is opgenomen en waarmee een pro-actieve houding ten aanzien van de handhaving van onder meer dit bestemmingsplan is aangenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.5.    Anders dan appellante veronderstelt is de aanwezige bebouwing op de binnenterreinen niet onder het overgangsrecht gebracht, maar als zodanig bestemd door middel van de bestemming "Tuinen en Erven" (T). Voor zover appellante in het kader van de planregeling voor de binnenterreinen bezwaren heeft tegen het in artikel 25 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht, missen deze bezwaren derhalve feitelijke grondslag.

2.9.6.    Voorts overweegt de Afdeling dat het positief bestemmen van zonder bouwvergunning opgerichte bebouwing in een bestemmingsplan onder omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Uit de stukken en de ter zitting gegeven toelichting leidt de Afdeling af dat het stadsdeelbestuur zich het belang van de kwaliteit van de binnenterreinen en tuinen heeft aangetrokken, doch vanwege de beperkte middelen, de beperkte ambtelijke capaciteit en de omstandigheid dat bepaalde bouwwerken reeds lange tijd ter plaatse aanwezig zijn, tot de conclusie is gekomen dat het opschonen van de binnenterreinen niet reëel is en derhalve maatschappelijk niet uitvoerbaar is. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in het goedkeuringsbesluit een groter gewicht mogen toekennen aan het positief bestemmen van de illegale bouwwerken dan aan het belang van omwonenden bij een meer open binnenterrein. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat de aanwezige bouwwerken niet mogen worden vergroot en het stadsdeelbestuur het vaste voornemen heeft om de voorschriften van het aan de orde zijnde plan te handhaven.

   Het is de Afdeling evenwel niet duidelijk welke betekenis moet worden toegekend aan het bepaalde in artikel 9, tweede lid, sub a, van de planvoorschriften, in relatie tot het bepaalde in artikel 9, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften nu ter zitting van de zijde van de stadsdeelraad is opgemerkt dat alle bebouwing die ten tijde van de inventarisatie aanwezig was, in het voorliggende plan de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" heeft gekregen. Nu ook ter zitting hierover van de zijde van de stadsdeelraad noch van verweerder duidelijkheid kon worden verschaft, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 9, tweede lid, sub a, van de planvoorschriften, niet berust op een deugdelijke motivering.

De plandelen met de bestemmingen "Centrumdoeleinden" (C) en "Gemengde doeleinden" (GD) betreffende percelen aan weerszijden van de Overtoom

Het standpunt van de Bewonersvereniging Overtoom

2.10.    De Bewonersvereniging Overtoom stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Centrumdoeleinden" (C) en "Gemengde doeleinden" (GD) betreffende percelen aan weerszijden van de Overtoom. Volgens de Bewonersvereniging Overtoom hadden de gronden ter bescherming van de woonfunctie op de begane grond als "Woongebied 1" (WG1) of "Woongebied 2" (WG2) moeten worden bestemd.

Het standpunt van verweerder

2.10.1.    Verweerder heeft de plandelen met de bestemmingen "Centrumdoeleinden" (C) en "Gemengde doeleinden" (GD) betreffende percelen aan weerszijden van de Overtoom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de Overtoom een apart regime kent ten aanzien van de woonfunctie op de begane grond. Een bestaande woonfunctie op de begane grond kan niet worden omgezet in een economische functie, waarmee de woonfunctie voldoende is beschermd, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.10.2.    Volgens de plantoelichting is binnen het stadsdeel Oud-West een onderscheid te maken tussen woongebieden en economische assen. De economische assen zijn de wegen waarlangs veel economische functies zijn gelegen. Langs deze assen is het omzetten van de woonfunctie op de begane grond naar een niet-woonfunctie mogelijk. In de plantoelichting staat voorts vermeld dat de uitwisseling van de niet-woonfunctie aan de economische assen niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en van het beeld en het karakter van de as. De Overtoom is omschreven als een economische as, waar de woonfunctie op de begane grond nog in relatief grote hoeveelheid aanwezig is. Volgens de plantoelichting is op de Overtoom het onttrekken van woningen op de begane grond (derhalve) niet toegestaan.

2.10.3.    In het voorliggende plan hebben de percelen aan de Overtoom grotendeels de bestemmingen "Centrumdoeleinden" (C) en "Gemengde doeleinden" (GD) gekregen.

2.10.4.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Centrumdoeleinden" (C), voor zover hier van belang, op de begane grond en in het souterrain bestemd voor detailhandel, met dien verstande dat aan de Overtoom ter plaatse van de aanduiding (w) op de begane grond uitsluitend wonen is toegestaan. De overige bouwlagen (en het souterrain) zijn bestemd voor wonen. Ingevolge het tweede lid zijn de gronden ter plaatse van een specifieke aanduiding op de kaart voorts bestemd voor de desbetreffende functie. Ingevolge het derde lid zijn functieveranderingen toegestaan, waaronder, voor zover thans van belang, op grond van het derde lid, sub b, het veranderen van een op de begane grond gevestigde functie naar "horeca-drinken" en "horeca-eten" met inachtneming van het maximum aantal vestigingen genoemd in bijlage 1 van de planvoorschriften en onder de voorwaarde dat aan de Overtoom tussen de Stadhouderskade/Nassaukade en de 1ste Constantijn Huygensstraat, de grootte per horecavestiging de vloeroppervlakte van 250 m2 niet mag overschrijden. De (functie)aanduiding "wonen" (w) is niet uitgesloten van deze functieverandering.

2.10.5.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Gemengde doeleinden" (GD), voor zover hier van belang, op de begane grond en in het souterrain bestemd voor detailhandel, publieksgerichte dienstverlening, administratieve dienstverlening, bedrijven en een bedrijfsverzamelgebouw, met dien verstande dat aan de Overtoom ter plaatse van de aanduiding (w) op de begane grond uitsluitend wonen is toegestaan. De overige bouwlagen zijn bestemd voor wonen. Ingevolge het tweede lid zijn de gronden ter plaatse van een specifieke aanduiding op de kaart voorts bestemd voor de desbetreffende functie. Ingevolge het derde lid zijn functieveranderingen toegestaan, waaronder, voor zover thans van belang, op grond van het derde lid, sub b en d, het veranderen van een op de begane grond gevestigde functie naar "horeca-drinken" en "horeca-eten" dan wel "maatschappelijke dienstverlening". Met betrekking tot de functieverandering naar "horeca-drinken" en "horeca-eten" geldt dat het maximum aantal vestigingen genoemd in bijlage 1 van de planvoorschriften in acht dient te worden genomen en dat aan de Overtoom tussen de Rhijnvis Feithstraat/Reyer Anlostraat en de Surinamestraat/Zochersstraat, de grootte per horecavestiging de vloeroppervlakte van 250 m2 niet mag overschrijden. Met betrekking tot de functieverandering naar "maatschappelijke dienstverlening" geldt dat de vloeroppervlakte maximaal 150 m2 mag bedragen. De (functie)aanduiding "wonen" (w) is niet uitgesloten van deze functieveranderingen.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.6.    Voor zover appellante een bestemming "Woongebied 1" (WG1) of "Woongebied 2" (WG2) wenst, overweegt de Afdeling dat in het plan een onderscheid wordt gemaakt tussen woongebieden en economische assen en dat de Overtoom in het plan is aangemerkt als een economische as. Het aldus gemaakte onderscheid acht de Afdeling niet onredelijk en gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de stadsdeelraad ter plaatse geen woonbestemming op te nemen.

2.10.7.    Voorts is niet in geding dat voor zover zich op de Overtoom op de begane grond een woning bevindt, deze op de plankaart de aanduiding "wonen" (w) heeft gekregen.

   Anders dan verweerder betoogt, volgt uit de planvoorschriften niet dat een bestaande woonfunctie op de begane grond ter plaatse van de Overtoom niet zou kunnen worden omgezet in een economische functie aangezien in artikel 3, derde lid, sub b en artikel 4, derde lid, sub b en d, van de planvoorschriften de (functie)aanduiding "wonen" (w) ter plaatse van de Overtoom, niet is uitgesloten van een functieverandering.

Gelet op de omstandigheid dat de functieverandering naar "horeca-drinken" en "horeca-eten" in bijlage 1 van de planvoorschriften is gelimiteerd en de functieverandering naar "maatschappelijke dienstverlening" uitsluitend ter plaatse van de bestemming "Centrumdoeleinden" is toegestaan en deze functieveranderingen bovendien, al dan niet gedeeltelijk, naar oppervlakte zijn beperkt, is de Afdeling evenwel van oordeel dat deze toegestane functieveranderingen niet leiden tot een wezenlijke aantasting van de (bestaande) woonfunctie op de begane grond. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woonfunctie op de Overtoom voldoende is beschermd.  

Artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften

Het standpunt van [appellanten sub 1] en [appellante sub 3]

2.11.    [appellanten sub 1] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, nu deze planregeling voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van vier hotels aan de Overtoom. Appellanten vrezen dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de Vondelbuurt-Oost. Bovendien is de wijzigingsbevoegdheid volgens hen te algemeen geformuleerd en in strijd met het "Locatiebeleid hotels in Stadsdeel Oud-West te Amsterdam" (hierna: hotelbeleid) van 18 december 2001 en het "Horecabeleid Stadsdeel Oud-West" (hierna: horecabeleid) van 7 maart 2005 waarin staat vermeld dat zich in de Vondelbuurt geen nieuwe hotels mogen vestigen.

       Daarnaast stellen [appellanten sub 1] en [appellante sub 3] dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover deze planregeling voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van een hotel op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17. [appellanten sub 1] voeren daartoe aan dat het ter plaatse aanwezige pand, bekend als "De Vijsel", op de gemeentelijke monumentenlijst staat. Zij vrezen aantasting van de monumentale waarden van het pand. Daarbij verwijzen zij naar het advies van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg, volgens welk advies de waarde van het pand met name wordt bepaald door de houtskeletbouw en alternatieve functies beperkt zijn.

       [appellanten sub 1] en [appellante sub 3] voeren voorts aan dat na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, in samenhang met artikel 9, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften, de als "bebouwing op Tuinen en Erven" aangeduide bebouwing, betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, met de bestemming "Tuinen en Erven" (T), ten onrechte kan worden aangewend ten behoeve van een hotel en dat hiermee de oprichting van een zeer groot hotel wordt mogelijk gemaakt.

Het standpunt van verweerder

2.11.1.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit artikelonderdeel goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de Overtoom niet tot de Vondelbuurt behoort en dat het horecabeleid vier nieuwe hotels op de Overtoom mogelijk maakt.

   Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat bij een eventuele functieverandering van "De Vijsel" de uitgangspunten van de Monumentenwetgeving in acht moeten worden genomen. Bij een eventuele bouw van een hotel zal erop toe worden gezien dat de monumentale waarden van het pand in tact worden gelaten.

   Verder stelt verweerder dat de bebouwing op het binnenterrein van het perceel Overtoom 13-17 alleen in aanmerking kan komen om te worden omgezet tot hotel met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Of het dagelijks bestuur ook meewerkt aan deze functieverandering is van meerdere factoren afhankelijk en zal in het kader van die procedure worden afgewogen, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.11.2.    Ingevolge artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, de bestemming of aanduiding te wijzigen, voor een functieverandering naar een nieuwvestiging horeca-slapen, onder de voorwaarde dat, voor zover thans van belang, op de Overtoom, ten opzichte van de situatie ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, maximaal vier nieuwe vestigingen zijn toegestaan en met dien verstande dat de functieverandering het gehele pand betreft en de maximale gevelbreedte voor horeca-slapen niet meer bedraagt dan 25% van de totale gevelbreedte van de straatwand.

2.11.3.    In het onder 2.11. aangehaalde hotelbeleid staat vermeld dat het stadsdeel Oud-West terughoudend is ten aanzien van uitbreiding van het hotelaanbod. Gelet op de belangen van de buurtbewoners opteert het stadsdeelbestuur uitdrukkelijk niet voor nieuwvestiging van hotels in woonbuurten en straten. De huidige functionele menging in de zuid-oosthoek mag niet overslaan naar een monocultuur van hotels of kantoren, aldus het hotelbeleid. In het hotelbeleid is derhalve voor het concentratiegebied Vondelbuurt als uitgangspunt opgenomen dat nieuwvestiging van hotels niet is toegestaan. De Vondelbuurt is daarbij globaal begrensd door Overtoom, Stadhouderskade, Zandpad en 2e Constantijn Huygensstraat.

   Volgens het hotelbeleid is beperkte nieuwvestiging van één, twee of driesterrenhotels buiten het huidige concentratiegebied Vondelbuurt toegestaan mits deze, voor zover thans van belang, aan de "economische assen" en de Nassaukade worden gerealiseerd. Daarbij is vermeld dat er per economische as en aan de Nassaukade maximaal twee nieuwe hotels mogen worden gevestigd. Een uitzondering wordt gemaakt voor de Overtoom. Op de Overtoom mogen maximaal vier nieuwe hotels worden gevestigd.

2.11.4.    In het op 7 maart 2005 door de stadsdeelraad vastgestelde horecabeleid is ten aanzien van de ontwikkeling van het hotelaanbod aangegeven dat het in december 2001 vastgestelde hotelbeleid als uitgangspunt geldt en dat daarbij, voor zover thans van belang de volgende richtlijnen zijn opgenomen:

•    In de Vondelbuurt mogen zich geen nieuwe hotels vestigen.

•    Nieuwe hotels kunnen zich vestigen aan de economische assen. Voor de Overtoom en de Kinkerstraat zijn vier nieuwe vestigingen mogelijk.

•    Er mag in geen enkele straat een "monocultuur" van hotels optreden. Maximaal 25% van de breedte van het straatwandoppervlak mag worden benut voor hotels.

2.11.5.    Bij besluit van 15 november 2005 is het gehele gebouwencomplex gelegen op de Overtoom 13-17 aangewezen als gemeentelijk monument.

2.11.6.    Het complex bestaat uit een aantal loodsen. De loods die in de voorgevelrooilijn is gesitueerd, is uit steen opgetrokken en is in het voorliggende plan bestemd voor "Centrumdoeleinden" (C). De overige loodsen staan op het binnenterrein, zijn van hout en hebben de bestemming "Tuinen en Erven" (T) met de nadere aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven".

2.11.7.    Volgens het advies van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg van 10 maart 2005 ligt de waarde van het gebouwencomplex met name in de houtskeletbouw en zijn alternatieve functies beperkt. Onderzoek zou moeten uitwijzen of alternatieve functies voor de houthandel met behoud van karakteristieken haalbaar is, aldus het advies.

2.11.8.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften is de "bebouwing op Tuinen en Erven" bestemd voor gebruik, zoals dit plaatsvindt in het aangrenzende op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.11.9.    Ingevolge artikel 9, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften mag de als zodanig aangeduide "bebouwing op Tuinen en Erven" worden gehandhaafd en vernieuwd of gecompenseerd elders op het perceel waarop de bouwaanvraag betrekking heeft, met dien verstande dat ze niet mogen worden vergroot en aanbouwen niet worden veranderd in bijgebouwen.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.10.    Anders dan appellanten veronderstellen maakt de Overtoom als economische as geen deel uit van de Vondelbuurt zoals beschreven in het onder 2.11.3. weergegeven hotelbeleid. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de Vondelbuurt, zoals beschreven in het hotelbeleid, is beperkt tot de woonbuurten en straten, begrensd door Overtoom, Stadhouderskade, Zandpad en 2e Constantijn Huygensstraat. Voorts overweegt de Afdeling dat het hotel- en horecabeleid de nieuwvestiging van vier hotels op de Overtoom juist uitdrukkelijk toestaat.

   Verweerder heeft zich derhalve naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de Overtoom niet tot de Vondelbuurt, in de zin van het hotel- en horecabeleid, behoort en dat de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming is met het hotelbeleid. Gelet op de omstandigheid dat de wijzigingsbevoegdheid is beperkt tot vier extra hotels aan de Overtoom, onder de voorwaarde dat de maximale gevelbreedte voor horeca-slapen niet meer bedraagt dan 25% van de totale gevelbreedte van de straatwand, heeft verweerder dit onderdeel van de wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate objectief begrensd kunnen achten en in zoverre geen gevaar voor ontwikkeling van een "monocultuur" aanwezig hoeven achten.

   De Afdeling is evenwel van oordeel dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, sub b, en het tweede lid, sub b, van de planvoorschriften, tot gevolg heeft dat de als "bebouwing op Tuinen en Erven" aangeduide bebouwing op het aan het hoofdgebouw grenzende plandeel met de bestemming "Tuinen en Erven" (T) ook ten behoeve van een hotelfunctie mag worden gebruikt en ook vernieuwd, zonder dat verweerder inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze gevolgen ook hier aanvaardbaar zijn en niet voor onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden behoeft te worden gevreesd.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover dit artikelonderdeel voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van een hotel op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom13-17, niet berust op een deugdelijke motivering.

Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C) en de aanduidingen "bedrijf milieucategorieën 1 en 2" (b), "niet-woonfunctie in het gehele pand", betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17

Het standpunt van [appellante sub 3]

2.12.    [appellante sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C) en de aanduidingen "bedrijf milieucategorieën 1 en 2" (b) en "niet-woonfunctie in het gehele pand" betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17. [appellante sub 3] voert daartoe aan dat deze bestemming niet overeenstemt met het huidige gebruik en evenmin met de onder het vorige plan ter plaatse geldende bestemming.

Het standpunt van verweerder

2.12.1.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C) en de aanduidingen "bedrijf milieucategorieën 1 en 2" (b), "niet-woonfunctie in het gehele pand", betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nieuwe aanduiding "bedrijf milieucategorieën 1 en 2" (b), die overeenkomt met de in het vorige plan ter plaatse opgenomen bestemming "Bedrijfsgebouwen", is toegekend, omdat het pand nog geen nieuwe functie heeft gekregen.

De vaststelling van de feiten

2.12.2.    Aan de Overtoom 13-17 was een houthandel gevestigd. Enkele jaren geleden is de bedrijfsvoering gestaakt en sindsdien staat het pand grotendeels leeg. Incidenteel wordt er nog vanuit de aanwezige houtvoorraad geleverd.

2.12.3.    In het vorige plan had dit deel van het perceel de bestemming "Bedrijfsgebouwen". In het voorliggende plan heeft het perceel de bestemming "Centrumdoeleinden" (C) met de nadere aanduidingen "bedrijf milieucategorieën 1 en 2" (b) en "niet-woonfunctie in het gehele pand" gekregen.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Centrumdoeleinden" (C), voor zover hier van belang, op de begane grond en in het souterrain bestemd voor detailhandel. Ingevolge het tweede lid, sub d, van de planvoorschriften zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding (b) en de aanduiding "niet woonfunctie in het gehele pand" op de begane grond en de overige bouwlagen tevens bestemd voor bedrijven, voor zover zij voorkomen in de milieucategorieën I en II van de als bijlage bij het plan gevoegde Staat van Inrichtingen.

2.12.4.    De stadsdeelraad heeft in een nadere memorie van 6 oktober 2006 aangegeven dat er op 15 december 2000 een bouwaanvraag is ingediend ten behoeve van de bouw van een hotel op het perceel Overtoom 13-17. In de nadere memorie is vermeld dat het stadsdeelbestuur op 18 september 2002 het voornemen bekend heeft gemaakt om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen en dat deze procedure nog loopt.

2.12.5.    Volgens de nadere memorie van de stadsdeelraad van 6 oktober 2006, wordt thans, mede vanwege de monumentenstatus van het pand, een nieuw bouwplan ten behoeve van een hotel voorbereid.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.6.    Vast staat dat het huidige gebruik ter plaatse, gelet op de omstandigheid dat het pand thans grotendeels leeg staat en de mogelijkheid wordt onderzocht om ter plaatse te komen tot de oprichting van een hotel, niet in aanmerking komt om als gedetailleerde bestemming in het plan op te nemen. Het standpunt van verweerder dat aan de in het vorige plan ter plaatse geldende bestemming, welke meer mogelijkheden dan het gebruik voor houthandel omvatte, kan worden vastgehouden, komt de Afdeling, mede gelet op de omstandigheid dat het huidige gebruik moet worden aangemerkt als een overgangssituatie en er nog onzekerheid bestaat ten aanzien van de haalbaarheid van een eventuele nieuwe functie, onder deze omstandigheden niet onredelijk voor. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het voorliggende plan, naast de bestemming "Milieubelastende inrichtingen" (+) welke betrekking heeft op categorie III-bedrijven, geen algemene bedrijfsbestemming kent en dat de bestemming "Centrumdoeleinden" (C) en de nadere aanduidingen "bedrijf milieucategorieën 1 en 2" (b) en "niet-woonfunctie in het gehele pand" ter plaatse in zoverre overeenstemt met de plansystematiek. Voor zover deze bestemming, gelet op het binnen de bestemming "Centrumdoeleinden" (C) toegelaten gebruik voor detailhandel, leidt tot een verruiming van het onder het vorige plan ter plaatse toegestane gebruik, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend en dat de stadsdeelraad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen, de bevoegdheid toekomt andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vast te stellen.

De aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" van het plandeel met de bestemming "Tuinen en Erven" (T), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17

Het standpunt van [appellanten sub 1] en [appellante sub 3]

2.13.    [appellanten sub 1] en [appellante sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" van het plandeel met de bestemming "Tuinen en Erven" (T), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17.

   [appellanten sub 1] en [appellante sub 3] voeren daartoe aan dat de bebouwing op deze gronden illegaal is opgericht en met de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" ten onrechte wordt gelegaliseerd.

       [appellante sub 3] stelt voorts dat het ten behoeve van dit perceel opnemen van de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" haaks staat op het beleid van het stadsdeel om de binnenterreinen open te houden, waardoor sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verder is er volgens [appellante sub 3] sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel nu bebouwing op de binnenterreinen van Hotel Vondel en Hotel Roemer Visscher wel moest worden afgebroken.

Het standpunt van verweerder

2.13.1.    Verweerder heeft de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" van het plandeel met de bestemming "Tuinen en Erven" (T), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze aanduiding goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een groot deel van de huidige bebouwing dateert van voor het bestaan van de Woningwet. Voor delen die later zijn gebouwd zijn volgens verweerder in het archief geen vergunningen te vinden. In ieder geval was het gehele complex al voordat het vorige plan ter visie werd gelegd aanwezig, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.13.2.    Blijkens de aanvraag van het Cuypersgenootschap van 8 december 2004, tot plaatsing van het gebouwencomplex gelegen aan de Overtoom 13-17 op de gemeentelijke monumentenlijst, is het complex voor het overgrote deel gebouwd rond 1890 naar een ontwerp van architect J.W.F. Hartkamp, die een leerling was van H.P. Berlage.

2.13.3.    Volgens de plantoelichting wordt de kwaliteit van de binnentuinen door de stadsdeelraad heel belangrijk gevonden. Om binnen het stadsdeel het evenwicht te bewaren tussen hectiek en ontspanning is het behoud en verbeteren van de kwaliteit van de binnenterreinen van groot belang voor de bewoners. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat niet bebouwde ruimte binnen een bouwblok (binnenterreinen en binnentuinen) extra belangrijk is voor de kwaliteit van het wonen. Vooral als deze binnenruimte groen is ingericht. Een verdere verdichting is daarom niet wenselijk.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.4.    Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 2.9.6. is de Afdeling van oordeel dat het aan het plan ten grondslag liggende beleid voor de gronden met de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" niet onredelijk is.

   Voorts overweegt de Afdeling dat de bebouwing op dit deel van het perceel Overtoom 13-17 sinds zeer lange tijd ter plaatse bestaat. Deze bebouwing viel onder het overgangsrecht van het vorige plan en mocht derhalve in beginsel niet opnieuw onder het overgangsrecht worden gebracht.

   Voor zover door het stadsdeel onder de werking van het vorige bestemmingsplan handhavend zou zijn opgetreden tegen de bebouwing op de binnenterreinen van de Hotels Vondel en Roemer Visscher, volgt hieruit niet dat de bebouwing op het binnenterrein van het perceel Overtoom 13-17, in het voorliggende plan niet als zodanig zou kunnen worden bestemd. Hierbij betrekt de Afdeling dat de stadsdeelraad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het bij Hotel Vondel, anders dan bij de bebouwing op dit deel van het perceel Overtoom 13-17, die al voor het overgrote deel sinds 1890 ter plaatse aanwezig is, een evident zonder bouwvergunning opgerichte serre betrof.

   Ook anderszins is niet aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen en dat de omstandigheid dat een deel van de bebouwing op de binnenterreinen van Hotel Vondel en Hotel Roemer Visscher moest worden afgebroken, tot het oordeel moet leiden dat verweerder niet in redelijkheid met het als zodanig bestemmen van de bebouwing op het binnenterrein ter plaatse van het perceel Overtoom 13-17 heeft kunnen instemmen.

   Strijd met het eigen beleid doet zich evenmin voor nu, anders dan appellante veronderstelt, het beleid van het stadsdeel ten aanzien van de binnenterreinen niet zozeer is gericht op het verwezenlijken van open binnenterreinen maar is gericht op het voorkomen van verdere verdichting daarvan.

Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, voor zover dit plandeel op plankaart 2 niet met "orde 1" is aangeduid

Het standpunt van [appellante sub 3]

2.14.    [appellante sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, voor zover dit plandeel op plankaart 2 niet met "orde 1" is aangeduid. [appellante sub 3] voert daartoe aan dat het ter plaatse aanwezige pand bij besluit van 15 november 2005 is aangewezen als gemeentelijk monument.

Het standpunt van verweerder

2.14.1.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Volgens verweerder komt het niet aanduiden van het plandeel met "orde 1" overeen met de waardering in de Welstandsnota.

De vaststelling van de feiten

2.14.2.    Volgens de plantoelichting is in de Welstandsnota voor heel Oud-West een waarderingskaart gemaakt. De Welstandsnota dient als aanvulling op het bestemmingsplan en ter behoud van belangrijke stedenbouwkundige karakteristieken.

   In de plantoelichting is voorts vermeld dat alle beeldbepalende panden, vanwege de beeldkwaliteit van deze bebouwing, in dit plan een beschermde status hebben gekregen. Om de verschillende waardevolle elementen te beschermen maakt een ordekaart (plankaart 2) deel uit van het bestemmingsplan.

2.14.3.    Ter bescherming van de beeldbepalende panden is in artikel 17, derde lid, in samenhang met het eerste lid van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bepaald dat het verboden is de bouwwerken die op plankaart 2 als "Beeldbepalende panden, orde 1", "Beeldbepalende panden, orde 2" en "Beeldbepalende panden, orde 3" zijn aangewezen, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van het dagelijks bestuur.

2.14.4.    Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17 heeft op plankaart 2 de aanduiding "basisorde". Volgens de plantoelichting worden bouwwerken met basiskwaliteit of bouwwerken die door ingrijpende wijzigingen hun architectonische meerwaarde hebben verloren, met "basisorde" aangeduid. Vervanging van deze bouwwerken is in beginsel mogelijk, aldus de plantoelichting. Volgens de plantoelichting worden rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten met "orde 1" aangeduid.

2.14.5.    Bij besluit van 15 november 2005 is het gehele gebouwencomplex gelegen op het perceel Overtoom 13-17 aangewezen als gemeentelijk monument.

   Volgens het verzoek van het Cuypersgenootschap tot plaatsing van het pand Overtoom 13-17 op de gemeentelijke monumentenlijst, het advies van het Bureau Monumenten & Archeologie en het advies van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg is het pand vooral van belang vanwege zijn cultuurhistorische waarden.

2.14.6.    Volgens het advies van het Bureau Monumenten & Archeologie van 15 februari 2005 heeft de Overtoom 13-17 op de Ordekaarten 19e eeuwse ring een basisorde gekregen. Volgens het advies van het Bureau Monumenten & Archeologie moet daarbij worden bedacht dat ordewaarderingen vooral uit esthetische overwegingen zijn toegekend en dat cultuurhistorische argumenten daarbij nauwelijks zijn betrokken.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.7.    De Afdeling overweegt dat de ordewaarderingen die zijn weergegeven op plankaart 2 met name uit een oogpunt van beeldkwaliteit en uit stedenbouwkundige overwegingen zijn toegekend, terwijl de monumentenstatus van het pand met name is ingegeven door de cultuurhistorische waarde van het pand. In de toekenning van de monumentenstatus aan het pand behoefde verweerder derhalve geen aanleiding te zien goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, voor zover dit plandeel op plankaart 2 niet met "orde 1" is aangeduid.

   Voor zover in de plantoelichting is vermeld dat rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten met "orde 1" worden aangeduid, zonder de nadere nuancering dat alleen panden die op grond van hun beeldkwaliteit als rijksmonument of gemeentelijk monument zijn aangewezen een "orde 1"-aanduiding krijgen, overweegt de Afdeling dat in een eventuele tekortkoming in de toelichting in het onderhavige geval geen aanleiding hoefde te worden gevonden aan het betrokken plandeel goedkeuring te onthouden.

Artikel 6, tweede lid, sub f, van de planvoorschriften

Het standpunt van [appellante sub 3]

2.15.    [appellante sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 6, tweede lid, sub f, van de planvoorschriften. [appellante sub 3] stelt zich daarbij op het standpunt dat het uitsluiten van de panden aan de Vondelstraat 18, 20, 24 26, 28 en 30 alsmede de panden Roemer Visscherstraat 8 en 10 van uitbreidingsmogelijkheden voor de ter plaatse bestaande functie "horeca-slapen" in strijd is met artikel 10 van de WRO. Bovendien betekenen de uitbreidingsuitsluitingen een aanscherping van het hotelbeleid en leent een bestemmingsplanprocedure zich niet voor een aanscherping van dergelijk beleid, aldus appellante. Daarnaast is de uitsluiting van beide hotels volgens appellante in strijd met het fair-play beginsel nu het stadsdeelbestuur bij het verlenen van de vrijstellingen er niet op heeft gewezen dat dit ertoe leidt dat de hotels in het bestemmingplan van uitbreidingsmogelijkheden zouden worden uitgesloten. Voorts zijn de uitbreidingsuitsluitingen voor Hotel Vondel en Hotel Roemer Visscher volgens appellante in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur nu voor andere hotels deze uitsluiting niet geldt en voor het Marriott en Golden Tulip Hotel zelfs een apart regime geldt. Het uitsluiten van beide hotels van uitbreidingsmogelijkheden is volgens appellante bovendien disproportioneel gezien de duur van de planperiode. Verder zijn de uitbreidingsuitsluitingen voor Hotel Vondel en Hotel Roemer Visscher in strijd met het beleid van de centrale stad en het "Locatiebeleid hotels in stadsdeel Oud-West" van december 2001, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.15.1.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 6, tweede lid, sub f, van de planvoorschriften in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze bepaling goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Hotel Vondel en Hotel Roemer Visscher van uitbreiding zijn uitgesloten omdat reeds op het bestemmingsplan is geanticipeerd door middel van een artikel 19 WRO-procedure. Hierdoor hebben de hotels reeds gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit te breiden. Daarnaast stelt verweerder dat het Marriott en Golden Tulip Hotel een apart uitbreidingsregime hebben omdat zij zich in een afwijkend kwaliteitssegment (5-sterren) bevinden, en een andere ontsluiting hebben waardoor de achterliggende wijken hiervan minder hinder ondervinden. In die zin maken de genoemde hotels geen onderdeel uit van de Vondelbuurt, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.15.2.    Ingevolge artikel 6, tweede lid, sub f, van de planvoorschriften geldt voor de uitbreiding van bestaande horeca-slapen, exclusief de panden aan de Vondelstraat 18, 20, 24, 26, 28 en 30 en exclusief de panden aan de Roemer Visscherstraat 8 en 10 dat de uitbreiding maximaal 20% van het vloeroppervlak en 10 % van het aantal kamers van de vestiging mag bedragen, met in ieder geval het recht uit te breiden met 3 kamers (ongeacht het toe te voegen oppervlak).

2.15.3.    In het onder 2.11. aangehaalde hotelbeleid staat vermeld dat het beleid van de gemeente Amsterdam is gericht op uitbreiding van bestaande 2- en 3 sterrenhotels vanwege de bestaande ondercapaciteit.

   In het hotelbeleid staat voorts vermeld dat het stadsdeel Oud-West terughoudend is ten aanzien van uitbreiding van het hotelaanbod, gelet op de belangen van de buurtbewoners. In het hotelbeleid is voor het concentratiegebied Vondelbuurt het volgende uitgangspunt opgenomen: beperkte uitbreiding van bestaande hotels (exclusief Marriott en Golden Tulip) is toegestaan indien bedrijfseconomisch noodzakelijk en/of ten behoeve van (aantoonbare) kwaliteitsverbetering, onder de voorwaarde dat deze uitbreiding per hotel maximaal 20 % van het huidige bedrijfsvloeroppervlak en maximaal 10 % van het aantal kamers bedraagt, met voor elk hotel een minimale uitbreidingsmogelijkheid van 3 kamers.

   In het hotelbeleid is verder vermeld dat de beide grote luxehotels Marriott en Golden Tulip een apart uitbreidingsregime kennen. Door hun omvang, faciliteiten, luxe karakter en de aanwezigheid van gelieerde functies (vergaderzalen, grote multifunctionele ruimten, etc.) alsmede door hun gerichtheid op zakelijke bezoekers en congresgangers hebben ze een wat grootschaliger en minder persoonlijk karakter dan de kleinere, meer karakteristieke hotels in Oud-West. Bovendien zijn volgens het hotelbeleid zowel de ontsluiting van de parkeergarages als de entrees van Marriott en Golden Tulip gericht op de hoofdwegen waardoor de achterliggende woonwijken hiervan nauwelijks hinder ondervinden.

2.15.4.    Op 13 januari 2004 is aan [appellante sub 3] met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, op basis van het hotelbeleid, vrijstelling en bouwvergunning verleend ten behoeve van een uitbreiding van Hotel Vondel. Daarbij zijn de uitbreidingsmogelijkheden zoals opgenomen in het hotel- en horecabeleid benut.

2.15.5.    In het op 7 maart 2005 door de stadsdeelraad vastgestelde horecabeleid is ten aanzien van de ontwikkeling en uitbreiding van het hotelaanbod verwezen naar het hotelbeleid van december 2001. Daarbij is voor zover thans van belang, als uitgangspunt opgenomen dat bestaande hotels kunnen uitbreiden (maximaal 20 % van het bedrijfsvloeroppervlak en 10 % van het aantal kamers, maar in ieder geval 3 kamers), mits er sprake is van een duidelijke kwaliteitsverbetering. Voorts is in het horecabeleid onder meer vermeld dat de uitbreiding van het Marriott en Golden Tulip Hotel afhankelijk is van de stedenbouwkundige inpassing in de omgeving, de architectonische kwaliteit en de verkeersontsluiting.

2.15.6.    Op 6 juni 2005 is aan [appellante sub 3] met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, op basis van het hotelbeleid, vrijstelling en bouwvergunning verleend ten behoeve van een uitbreiding van Hotel Roemer Visscher. Daarbij zijn de maximale uitbreidingsmogelijkheden zoals opgenomen in het hotel- en horecabeleid benut.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.7.    De Afdeling stelt vast dat het beleid ten aanzien van de ontwikkeling en uitbreiding van hotels is opgenomen in het in december 2001 vastgestelde hotelbeleid. Volgens dit beleid mag een bestaand hotel met maximaal 20 % van het bedrijfsvloeroppervlak en maximaal 10 % van het aantal kamers uitbreiden. De Afdeling stelt vast dat dit beleid, behoudens ten aanzien van de hotels Vondel en Roemer Visscher, is opgenomen in het bestemmingsplan. De Afdeling acht dit beleid, voor zover dat weerslag heeft gevonden in het voorliggende plan, niet onredelijk.

2.15.8.    Ter zitting heeft appellante erkend dat met de bouwvergunning van 13 januari 2004 onderscheidenlijk de bouwvergunning van 6 juni 2005, voor beide hotels de maximale uitbreidingsmogelijkheden, zoals opgenomen in het hotel- en horecabeleid, zijn benut. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid met de uitbreidingsuitsluiting voor deze hotels kunnen instemmen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat door het uitsluiten van de beide hotels van (verdere) uitbreidingsmogelijkheden aan alle hotels dezelfde uitbreidingsrechten worden geboden. Anders dan appellante betoogt, leiden de uitbreidingsuitsluitingen voor beide hotels derhalve niet tot een aanscherping van het hotelbeleid. Van strijd met het fair-playbeginsel is geen sprake nu het voor appellante reeds bij het verlenen van de vrijstellingen duidelijk moet zijn geweest dat op grond van het hotelbeleid verdere uitbreidingen niet zijn toegestaan. Gelet op de geheel eigen karakteristiek en de ligging van het Marriott en Golden Tulip Hotel bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de uitbreidingsuitsluitingen in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Marriott en Golden Tulip Hotel zijn gelegen op een locatie aan een economische as, de Stadhouderskade, terwijl de Vondelstraat en de Roemer Visscherstraat van oudsher straten met woonhuizen zijn. Dat, naar appellante stelt, ter plaatse van de laad- en loshavens, die aan de achterzijde van deze hotels zijn gesitueerd, overlast wordt ondervonden, kan niet tot het oordeel leiden dat daarom aan appellante meer uitbreidingsmogelijkheden zou moeten worden geboden. Gelet op de belangen van appellante afgewogen tegenover de bij de uitbreidingsuitsluitingen te dienen belangen van omwonenden, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de uitbreidingsuitsluitingen disproportioneel zijn te achten. Voor zover appellante meent dat de uitbreidingsuitsluitingen in strijd zijn met het (horeca)beleid van de gemeente Amsterdam, overweegt de Afdeling, dat het beleid van de gemeente Amsterdam met name een economische invalshoek heeft terwijl het bestemmingsplan vooral een planologische invalshoek heeft. Differentiatie van beleid naar stadsdelen, buurten en straten is in een bestemmingsplan derhalve toegestaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ook het college van burgemeester en wethouders geen aanleiding heeft gezien met betrekking tot dit onderdeel van het plan negatief te adviseren.

Artikel 3, vijfde lid van de planvoorschriften

Het standpunt van de Bewonersvereniging Overtoom

2.16.    De Bewonersvereniging Overtoom stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften. De Bewonersvereniging Overtoom voert daartoe aan dat aan de uitbreiding van "horeca-uitgaan" boven de 250 m2, de voorwaarden zoals opgenomen in het horecabeleid dienen te worden verbonden.

Het standpunt van verweerder

2.16.1.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit voorschrift goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het plangebied de functie "horeca-uitgaan" niet voorkomt.

De vaststelling van de feiten

2.16.2.    Overeenkomstig het horecabeleid wordt in het bestemmingsplan een onderscheid gemaakt naar de functies "horeca-drinken (hd)", "horeca-eten (he)", "horeca-slapen (hs)", "horeca-winkelgebonden (hw)". Het horecabeleid kent voorts de functie "horeca-uitgaan". De functie-aanduiding "horeca-uitgaan" komt op de plankaarten niet voor.

2.16.3.    Ingevolge artikel 3, vijfde lid van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, bevoegd vrijstelling te verlenen ten behoeve van een uitbreiding van de functie "horeca-eten" of "horeca-drinken" aan de Overtoom, tussen de Stadhouderskade/Nassaukade en de 1ste Constantijn Huygensstraat, boven een vloeroppervlakte van 250 m2.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.4.    Nu de functie "horeca-uitgaan" in het plangebied niet voorkomt en artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften niet voorziet in de mogelijkheid van een uitbreiding van de functie "horeca-uitgaan", mist de stelling van appellante dat artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften ten onrechte geen voorwaarden bevat voor de uitbreiding van "horeca-uitgaan" boven de 250 m2, feitelijke grondslag.

Het plandeel met de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) en de aanduiding "wonen" (w) en de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" betreffende het perceel Overtoom 268-270

Het standpunt van [appellant sub 4]

2.17.    [appellant sub 4] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) en de aanduiding "wonen" (w) en de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" betreffende het perceel Overtoom 268-270. Hij voert daartoe aan dat ten onrechte de zelfstandige bedrijfsfunctie, die onder het vorige plan in zijn ter plaatse aanwezige appartement was toegestaan, is wegbestemd. Dit is volgens appellant in strijd met het conserverende karakter van het plan. Bovendien dient volgens appellant bestaand gebruik positief te worden bestemd. De beperking van de gebruiksmogelijkheden zal volgens appellant leiden tot een waardevermindering van het ter plaatse aanwezige pand.

   Voorts stelt appellant dat de aanbouw ten onrechte onder het (verkapte) overgangsrecht van artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften is gebracht. Nu voor de aanbouw een bouwvergunning is verleend, dient de aanbouw een positieve bestemming te krijgen, aldus appellant.

Het standpunt van verweerder

2.17.1.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) en de aanduiding "wonen" (w) en de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven", betreffende het perceel Overtoom 268-270, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een nieuw bestemmingsplan nieuwe uitgangspunten kan bevatten met nieuwe rechtszekerheden. Voorts stelt verweerder dat het belang van bescherming van de woonfunctie aan de Overtoom prevaleert boven het individuele belang van appellant en dat nog steeds de mogelijkheid bestaat om op 40% van het vloeroppervlak van de woning beroepsmatige activiteiten te ontplooien (zie verweerschrift).  

De vaststelling van de feiten

2.17.2.    Appellant is eigenaar van de appartementsrechten, rechtgevend op Overtoom 268-270 begane grond (hierna: het pand). Het ter plaatse van het perceel Overtoom 268-270 aanwezige pand bestaat uit een begane grond met gedeeltelijk een souterrain in het hoofdgebouw en een aanbouw achter de achtergevelrooilijn waarmee vrijwel het gehele achterterrein is bebouwd. Deze uitbreiding heeft rond 1938 krachtens een bouwvergunning plaatsgevonden.

2.17.3.    In het vorige bestemmingsplan "Noordelijke Overtoomstrook" hadden de gronden ter plaatse van het hoofdgebouw de bestemming "Gestapelde Woningen (A1)" met de nadere aanduiding "bedrijven". Volgens de plankaart is binnen de aanduiding "bedrijven" op de eerste bouwlaag ook de functie "kantoren" toegestaan.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de bij dat plan behorende voorschriften zijn de gronden welke op de plankaart zijn bestemd voor "Gestapelde Woningen (A1)" aangewezen voor gestapelde woningen en wooneenheden, met inbegrip van bijbehorende voorzieningen, bergingen en andere nevenruimten. Ingevolge het tiende lid mocht, voor zover thans van belang, de eerste bouwlaag van de bebouwing daar waar en voor zover zulks op de plankaart nader is aangeduid, zodanig worden geconstrueerd, dat zij overeenkomstig deze nadere aanduiding kan worden gebruikt.

2.17.4.    In het voorliggende plan hebben de gronden aan de Overtoom 268-270 ter plaatse van het hoofdgebouw, de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) met de nadere aanduiding "wonen" (w).

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, sub b en c, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Gemengde doeleinden" (GD), in het souterrain bestemd voor publieksgerichte en administratieve dienstverlening. Ingevolge artikel 4, eerste lid, sub f, is ter plaatse van de aanduiding "wonen" (w) aan de Overtoom op de begane grond uitsluitend wonen toegestaan. Ingevolge artikel 4, eerste lid, sub g, is de uitoefening van beroepsmatige activiteiten op maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning toegestaan.

2.17.5.    In het vorige bestemmingsplan "Noordelijke Overtoomstrook" hadden de gronden ter plaatse van de aanbouw de bestemming "Tuinen en Erven". De ter plaatse aanwezige aanbouw alsmede het gebruik daarvan was niet als zodanig bestemd, maar viel het onder het overgangsrecht.

2.17.6.    In het voorliggende plan hebben de gronden aan de Overtoom 268-270 ter plaatse van de aanbouw, de bestemming "Tuinen en Erven" (T) met de nadere aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" gekregen.

2.17.7.    In artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat:

de gronden op de plankaart aangewezen voor "Tuinen en Erven" (T) zijn  bestemd voor:

a. de aanleg en instandhouding van tuinen en erven;

b. het gebruik van gebouwen voor de aanleg of instandhouding van tuinen of erven of voor de "bebouwing op Tuinen en Erven" het gebruik zoals dit plaatsvindt in het aangrenzende op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.17.8.    In artikel 9, tweede lid, sub b, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat bouwwerken waarvoor een bouwvergunning is verstrekt en "bebouwing op Tuinen en Erven" mogen worden gehandhaafd en vernieuwd of gecompenseerd elders op het perceel waarop de bouwaanvraag betrekking heeft, met dien verstande dat ze niet mogen worden vergroot en aanbouwen niet worden veranderd in bijgebouwen.

2.17.9.    In de plantoelichting is vermeld dat de niet bebouwde ruimte binnen een bouwblok (binnenterrein en binnentuinen) extra belangrijk is voor de kwaliteit van het wonen. Een verdere verdichting is daarom niet wenselijk.

Het oordeel van de Afdeling

2.17.10.    Ter zitting is door appellant onweersproken gesteld dat het pand geen functionele eenheid vormt maar bestaat uit twee functioneel afgescheiden delen, bestaande uit een functioneel afgescheiden deel, plaatselijk bekend Overtoom 268, en een functioneel afgescheiden deel, plaatselijk bekend Overtoom 270. Appellant heeft voorts onweersproken gesteld dat het deel, plaatselijk bekend Overtoom 268, ten tijde van de vaststelling van het plan, in gebruik was als kantoor en dat het deel, plaatselijk bekend Overtoom 270 thans in gebruik is als woning.

   Volgens appellant behoort de aanbouw bij het deel plaatselijk bekend Overtoom 268 en is deze thans niet in gebruik. Volgens appellant is de aanbouw in het verleden onafhankelijk van het hoofdgebouw gebruikt.

2.17.11.     De Afdeling stelt vast dat het ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande gebruik van het deel, plaatselijk bekend Overtoom 268, als kantoor in overeenstemming was met de in het vorige plan ter plaatse geldende bestemming. Er is derhalve in zoverre sprake van bestaand legaal gebruik. De toekenning van de bestemming "Gemengde Doeleinden" en de aanduiding "wonen" (w) aan het pand Overtoom 268-270 houdt voor het deel van het pand Overtoom 268 in het beëindigen van bestaand legaal gebruik. Verweerder heeft dit miskend.

   Voorts overweegt de Afdeling dat de voorgestelde planregeling voor de aanbouw er toe leidt dat deze overeenkomstig het gebruik van het hoofdgebouw dient te worden gebruikt, terwijl niet is gebleken dat de aanbouw ten behoeve van het hoofdgebouw wordt gebruikt. Verweerder heeft dit niet onderkend en zich derhalve niet uitsproken over de planologische aanvaardbaarheid daarvan.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) en de aanduiding "wonen" (w) en de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven" betreffende het perceel Overtoom 268-270 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Artikel 6, zevende lid en artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften

Het standpunt van [appellanten sub 5]

2.18.    [appellanten sub 5] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 6, zevende lid, en artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften. Volgens appellanten voorziet de in deze artikelen vervatte planregeling ten onrechte voor een aantal percelen aan de Wenslauerstraat in een vrijstellingsbevoegdheid ten aanzien van de bouwhoogte en in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bestemming "Woongebied 2" (WG2). Volgens appellanten worden voor de volumevergrotingen oneigenlijke en niet onderbouwde financiële argumenten aangevoerd. Bovendien gaat hierdoor volgens appellanten het bijzondere karakter van de binnentuinen in de Bellamybuurt verloren. Daarnaast vrezen appellanten aantasting van hun privacy, rust, uitzicht en bezonning. Voorts stellen zij dat de volumestudie, die aan de vrijstellingsbevoegdheid en de wijzigingsbevoegdheid ten grondslag ligt, onvoldoende steun heeft gekregen van het dagelijks bestuur.

Het standpunt van verweerder

2.18.1.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 6, zevende lid, en artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze artikelonderdelen goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.18.2.    Ingevolge artikel 6, zevende lid, van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur bevoegd ten aanzien van een aantal in het artikellid genoemde percelen aan de Wenslauerstraat, vrijstelling te verlenen van de bouwvoorschriften ten behoeve van een in het artikellid per perceel beschreven overschrijding van de bouwhoogte.

2.18.3.    Ingevolge artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, voor een in het artikellid per perceel beschreven gedeelte van een aantal percelen aan de Wenslauerstaat, het plan te wijzigen opdat de bestemming "Tuinen en Erven" (T) wordt gewijzigd in "Woongebied 2"

(WG 2).

2.18.4.    Volgens de aanvullende reactie van het stadsdeelbestuur op de bedenkingen is in het kader van de gebiedsgerichte aanpak van de Bellamybuurt woningverbetering in de Wenslauerstraat gewenst. Met het oog op de ontwikkeling van de Bellamybuurt is afgesproken om, als onderdeel van de overkoepelende integrale gebiedsgerichte aanpak, een deel van de Wenslauerstraat als pilotproject te ontwikkelen. In het kader van de financiering van de woningverbetering is gekeken naar de wensen van eigenaren/verhuurders van de Wenslauerstraat en daarbij is de wens tot uitbreiding van het volume en tot functiewijziging naar "wonen" naar voren gekomen, aldus het stadsdeelbestuur.

   Teneinde deze mogelijkheden te onderzoeken is een volumestudie opgesteld. In deze studie zijn de consequenties van een volumeuitbreiding voor omwonenden, met name op lichttoetreding en inkijk, onderzocht. Daarbij is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Verkenning van de Bellamybuurt, die door de stadsdeelraad is vastgesteld en fungeert als onderliggend praktisch beleidskader bij de uitwerking van plannen voor de buurt. De volumestudie is ter inspraak voorgelegd aan de bewoners.

2.18.5.    In april 2005 is de Geactualiseerde Volumestudie Wenslauerstraat afgerond. Samen met de aanbieding van het bestemmingsplan aan de stadsdeelraad heeft het dagelijks bestuur deze op 17 mei 2005 vastgesteld. In het plan zoals toentertijd aangeboden aan de stadsdeelraad waren de uitbreidingsmogelijkheden, zoals opgetekend in de volumestudie, bij recht toegestaan. Naar aanleiding van diverse bezwaren van bewoners heeft het dagelijks bestuur het voorstel tot vaststelling van het plan ingetrokken. Vervolgens is er voor gekozen de uitbreidingsmogelijkheden, voortvloeiend uit de volumestudie, niet bij recht, maar door middel van een vrijstellings- en wijzingsbevoegdheid op te nemen.

Het oordeel van de Afdeling

2.18.6.    Niet kan worden ontkend dat toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid en de wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 6, zevende lid, onderscheidenlijk artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften voor appellanten tot een verlies van uitzicht en privacy zal leiden. De Afdeling overweegt evenwel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat toepassing van de vrijstellings- en de wijzigingsbevoegdheid zal leiden tot een onevenredige aantasting van hun woongenot in vergelijking met de daarmee te dienen belangen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier een stedelijke omgeving betreft en dat, hoewel naast een verlies aan uitzicht en privacy, een verslechtering van de bezonningssituatie niet valt uit te sluiten, de bestreden planonderdelen niet zullen leiden tot een zodanige aantasting van uitzicht, privacy en bezonningssituatie dat verweerder daaraan doorslaggevend gewicht moest toekennen.

Eindconclusie

2.19.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.9.6. is het beroep van de Bewonersvereniging Overtoom gedeeltelijk gegrond, in verband waarmee het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 9, tweede lid, sub a, van de planvoorschriften wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.11.10. zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellante sub 3] gedeeltelijk gegrond, in verband waarmee het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover dit artikelonderdeel voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van een hotel op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17, wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.17.11. is het beroep van [appellant sub 4] geheel gegrond, in verband waarmee het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) en de aanduiding "wonen" (w) en de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven", betreffende het perceel Overtoom 268-270, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

De beroepen van [appellanten sub 1], de Bewonersvereniging Overtoom, en [appellante sub 3] zijn voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 5] is, voor zover ontvankelijk, geheel ongegrond.

Proceskostenvergoeding

2.19.1.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] te worden veroordeeld. Ten aanzien van de Bewonersvereniging Overtoom is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 5] geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ingediend namens [11 medebewoners] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], de vereniging "Bewonersvereniging Overtoom", en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3] gedeeltelijk gegrond en het beroep van [appellant sub 4] geheel gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 25 april 2006, kenmerk 2006-20175 voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. artikel 9, tweede lid, sub a, van de planvoorschriften;

b. artikel 3, negende lid, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, voor zover dit artikelonderdeel voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het oprichten van een hotel op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" (C), betreffende een deel van het perceel Overtoom 13-17;

c. het plandeel met de bestemming "Gemengde Doeleinden" (GD) en de aanduiding "wonen" (w) en de bestemming "Tuinen en Erven" (T) en de aanduiding "bebouwing op Tuinen en Erven", betreffende het perceel Overtoom 268-270.

IV.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], de vereniging "Bewonersvereniging Overtoom" en [appellante sub 3] voor het overige ongegrond en het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ontvankelijk, geheel ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellanten sub 1] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellante sub 3] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 4] tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

deze bedragen dienen door de provincie Noord-Holland onder vermelding van het zaaknummer aan [appellanten sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 4] te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 141,00 (zegge honderdeenenveertig euro) vergoedt;

gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 141,00 (zegge honderdeenenveertig euro) vergoedt;

gelast dat de provincie Noord-Holland aan de vereniging "Bewonersvereniging Overtoom" en [appellante sub 3] afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 281,00 (zegge tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. Neuwahl

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

280-525.