Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200700031/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstellingen en bouwvergunning verleend voor het splitsen van een woonboerderij in twee woningen op het perceel plaatselijk bekend Oude [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700031/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten A], wonend te [woonplaats], [appellant B], wonend te [woonplaats], [appellant C], wonend te [woonplaats], [appellant D], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4297 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstellingen en bouwvergunning verleend voor het splitsen van een woonboerderij in twee woningen op het perceel plaatselijk bekend Oude [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2006, verzonden op 22 november 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 29 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 7 februari 2007 hebben vergunninghoudster en [partij], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn bij brief van 21 juni 2007 nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2007, waar appellanten, bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens en G.C.J.M. Verhoef, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn vergunninghoudster en [partij] daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Vlierden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Buitenlint".

   Ingevolge artikel 14.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Buitenlint aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, voor zover het betreft de bestaande woningen, dan wel voor zover aangeduid met (w) voor uitbreiding van de woningvoorraad.

   Ingevolge artikel 14.4.2, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, in geval van voormalige boerderijen vrijstelling te verlenen voor wat betreft het bepaalde in 14.1.b ten aanzien van het aantal te bouwen woningen en toe te staan dat het hoofdgebouw wordt gesplitst in twee woningen. Hierbij geldt dat de inhoud van de nieuwe woning niet minder dan 350 m³ en niet meer dan 600 m³ mag bedragen.

   Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.2.    De woonboerderij met een inhoud van 1700 m³ is in gebruik als burgerwoning. Het bouwplan voorziet in een splitsing van de boerderij in die zin dat een tweede burgerwoning wordt gerealiseerd. Het college heeft daarvoor een binnenplanse vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 14.4.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

   De nieuwe woning voldoet niet aan de bij splitsing geldende voorwaarde dat deze niet groter mag zijn dan 600 m³. Het college heeft daarvoor vrijstelling verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van het Bro 1985.

2.3.    Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom. Aangezien voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van het Bro 1985 is vereist dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom, diende de rechtbank na te gaan of aan dit vereiste was voldaan.

2.4.    Blijkens onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2004 in zaak no. 200305811/1 (BR 2004, p. 754) betreft het begrip bebouwde kom een feitelijk begrip en is voor het antwoord op de vraag of sprake is van de bebouwde kom de aard van de omgeving maatgevend. Niet bepalend is de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft. Uit de stukken, waaronder de door het college overgelegde foto's en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat het perceel is gelegen in een gebied waar zich meerdere woningen bevinden waarbij een structurele samenhang van de bebouwing in ruimtelijke zin aanwezig is. Het perceel is derhalve gelegen binnen de bebouwde kom. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college in beginsel toepassing kon geven aan artikel 19, derde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van het Bro 1985.

2.5.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid het besluit tot verlening van de vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO in bezwaar heeft kunnen handhaven. Daartoe betogen zij dat de rechtbank heeft miskend dat de omgeving van hun varkenshouderij niet moet worden ingedeeld in omgevingscategorie III, maar in omgevingscategorie I of II van de brochure "Veehouderij en Hinderwet 1985" (hierna: de brochure), zodat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.5.1.    Het college heeft bij de beoordeling van de van de varkenshouderij te duchten stankhinder de "Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996" (hierna: de richtlijn) gehanteerd. Voor zover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft het college toepassing gegeven aan de brochure.

2.5.2.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat de directe omgeving van de varkenshouderij van appellanten in omgevingscategorie III van de brochure moet worden ingedeeld. Gelet ook op de ter zitting gegeven toelichting aan de hand van kaarten en fotomateriaal kan niet worden staande gehouden dat in de directe omgeving van het bedrijf van appellanten een enkele niet-agrarische bebouwing is gelegen zoals is vereist voor indeling in omgevingscategorie III. In de directe omgeving van de varkenshouderij bevinden zich voornamelijk burgerwoningen, die aan het betreffende gebied een woonfunctie verlenen. De beslissing op bezwaar berust in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 25 oktober 2005 vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2006 in zaak no. AWB 05/4297;

III.    verklaart het door appellanten ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne van 25 oktober 2005, kenmerk EDV.BWM/05/11541;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deurne tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1338,10 (zegge: dertienhonderdachtendertig euro en tien cent), waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Deurne aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat gemeente Deurne aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel     w.g. Lodder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

17-430.