Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9838

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200607648/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan de Wassenaarsche Bouw Stichting (hierna: WBS) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van 46 over drie blokken verdeelde woningen, het verbouwen van één van de woningen tot vier bergingen/fietsenstalling, het bouwen van drie centrale trappenhuizen met liftinstallatie alsmede het bouwen van een derde bouwlaag bestaande uit 18 woningen op het perceel Hillenaarlaan 2 tot en met 48a te Wassenaar (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607648/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Wassenaar,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/7097 en 06/7098 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 september 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college) aan de Wassenaarsche Bouw Stichting (hierna: WBS) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van 46 over drie blokken verdeelde woningen, het verbouwen van één van de woningen tot vier bergingen/fietsenstalling, het bouwen van drie centrale trappenhuizen met liftinstallatie alsmede het bouwen van een derde bouwlaag bestaande uit 18 woningen op het perceel Hillenaarlaan 2 tot en met 48a te Wassenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college het onder meer door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het onder meer door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2006, no. 200506294/1, heeft de Afdeling het door appellanten daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2005 vernietigd, het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 maart 2005 vernietigd.

Bij besluit verzonden op 16 augustus 2006 heeft het college de bezwaren van appellanten wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 17 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en WBS. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2007, waar appellanten, in persoon, en [partij], zijn verschenen. Voorts zijn het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Waleboer, ambtenaar bij de gemeente, en WBS, als belanghebbende, vertegenwoordigd door [directeur], daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor zover appellanten betogen dat het inmiddels gerealiseerde bouwplan niet voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit, moet daaraan worden voorbijgegaan, aangezien deze grief voor het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht en niet valt in te zien dat deze niet in een eerder stadium van de procedure had kunnen worden ingebracht.

2.2.    In de uitspraak van 28 juni 2006, inzake no. 200506294/1, (AB 2006, 236), heeft de Afdeling overwogen dat de hier aan de orde zijnde vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend op basis van de op 22 september 2003 ingediende nieuwe bouwaanvraag en niet op basis van de bouwaanvraag van 9 november 2000. Voor zover appellanten betwisten dat van de aanvraag 22 september 2003 kon worden uitgegaan, faalt het betoog, reeds gezien het in de uitspraak gegeven oordeel.

2.3.    Het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij de voorbereiding van de tweede beslissing op bezwaar van 16 augustus 2006 appellanten ten onrechte niet heeft gehoord, faalt. De Algemene wet bestuursrecht kent geen verplichting tot het opnieuw horen van belanghebbenden ter voorbereiding van een nieuwe beslissing op bezwaar, ter uitvoering van een uitspraak van de Afdeling, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het college anderszins gehouden zou zijn geweest om appellanten opnieuw te horen.

2.4.    Het bouwplan, dat inmiddels is gerealiseerd, voorziet in het verbouwen en renoveren van het seniorencomplex "De Peppel".

2.5.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hofcamp" rust op de grond waar het bouwplan is voorzien de bestemming "Meergezinshuizen in twee bouwlagen". Het bouwplan is hiermee in strijd. Om de bouw mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.6.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde ten tijde van de beslissing op bezwaar van 16 augustus 2006, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied.

2.7.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij het nemen van de beslissing op bezwaar van 16 augustus 2006 niet kon uitgaan van de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van categorieën van gevallen. Zij stellen in dit verband dat de in 2002 door provinciale staten vastgestelde Nota Planbeoordeling niet is ingetrokken en derhalve de latere nota van gedeputeerde staten opzij zet. Voorts betogen appellanten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO voor het bouwplan vrijstelling te verlenen nu het bestemmingsplan ouder is dan tien jaar, het bouwplan een niet onomstreden project betreft en het college ten onrechte niet aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 heeft getoetst.

2.7.1.    Bij voornoemde uitspraak van 28 juni 2006, inzake no. 200506294/1, heeft de Afdeling het besluit op bezwaar van 8 maart 2005 vernietigd omdat de in artikel 19, tweede lid, van de WRO genoemde lijst van door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen niet volgens de in de Provinciewet voorgeschreven wijze was bekendgemaakt en derhalve het college niet bevoegd was voor het bouwplan vrijstelling ingevolge dat artikel te verlenen.

   Vast staat dat zodanige bekendmaking op 6 juli 2006 heeft plaatsgevonden. Het college heeft bij het nemen van het besluit op bezwaar van 16 augustus 2006 terecht het recht toegepast zoals dat op dat moment gold en niet het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Anders dan appellanten betogen, kan de Nota Planbeoordeling 2002 de gelding van de door gedeputeerde staten op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO vastgestelde categorieaanwijzing niet verhinderen. Aan de Nota Planbeoordeling 2002 komt, wat daar verder ook van zij, derhalve in dit geding geen betekenis toe.

   De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat het bouwplan valt onder de in de lijst aangewezen categorie van gevallen en dat wordt voldaan aan de in de lijst opgenomen voorwaarden, op grond waarvan het college bevoegd was met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Het college is er ook terecht van uitgegaan dat wordt voldaan aan de voorwaarde uit de lijst van categorieën van gevallen dat na realisering van het bouwplan geen strijdigheid ontstaat met de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005. Redelijkerwijs kan uitgesloten worden geacht dat het bouwplan ten opzichte van de bestaande situatie een verslechtering van de luchtkwaliteit met zich zal brengen. Voorts zijn het project en het gebied als zodanig niet van de toepassing van de verklaring van geen bezwaar uitgezonderd. De omstandigheid dat het bestemmingsplan ouder is dan tien jaar staat aan toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO niet in de weg. Dat het bouwplan volgens appellanten niet onomstreden is, evenmin. In de lijst zijn geen beperkende voorwaarden van dien aard opgenomen.

   Vrijstelling ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO is niet aan de orde indien vrijstelling kan worden verleend ingevolge het tweede lid van artikel 19 van de WRO. In dat geval kan, anders dan appellanten betogen, geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO worden verleend. Andersluidende toezeggingen, zo daarvan al sprake is geweest, kunnen daar niet aan afdoen.

2.8.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2002 in zaak no. 200201760/1 (Gst. 2003, 7182, 51) kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het bestaande planologische regime geringer is.

   Anders dan appellanten betogen, heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat geen sprake is van een ingrijpende inbreuk op het bestemmingsplan en dat de door het college gegeven ruimtelijke onderbouwing toereikend is.

2.9.    Appellanten voeren aan dat nu niet op voorhand duidelijk is of de voor het project door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw aan WBS geborgde lening, de lening via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten en de verleende subsidie op basis van het Besluit Woninggebonden Subsidies verboden staatssteun inhouden als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag, de vrijstelling en bouwvergunning niet hadden mogen worden verleend.

   Dat betoog faalt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voornoemde leningen en subsidie de uitvoerbaarheid van het bouwplan weliswaar hebben vergemakkelijkt, maar dat het bouwplan niet afhankelijk is van deze leningen en subsidie. Het college heeft hierin, ongeacht of de voornoemde leningen en subsidie verboden staatssteun inhouden, derhalve geen aanleiding behoeven te zien om vrijstelling en bouwvergunning te weigeren.

2.10.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat het bouwplan volgens hen een ontoelaatbare inbreuk maakt op hun privacy. Zij wijzen in dit verband op het spiegelglas dat in de vensters van het gebouw is voorzien. Voorts heeft de voorzieningenrechter volgens hen miskend dat het bouwplan zal leiden tot onaanvaardbare vermindering van lichtinval in hun woningen. Zij hebben ter zitting in dit verband aangevoerd dat de in opdracht van WBS uitgevoerde bezonningsstudie geen juist beeld geeft, omdat niet op alle van belang zijnde tijdstippen de schaduwwerking van het beoogde gebouw is berekend en de minimale afstand tussen hun woningen en het gebouw geen twintig meter maar dertien meter bedraagt. Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college zich heeft mogen baseren op het advies van de welstandscommissie van 2 oktober 2003, omdat dit advies naar hun oordeel niet volledig is.

2.10.1.    Appellanten kunnen hierin niet worden gevolgd. Volgens de bouwtekeningen bedraagt de afstand tussen de woningen aan de Hillenaarlaan te minste twintig meter. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college niet van die afstand heeft mogen uitgaan.

   Voorts leidt hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet tot het oordeel dat door de realisering van het bouwplan sprake is van zodanige vermindering van lichtinval in de woningen van appellanten dan wel zodanige aantasting van hun privacy dat het college in verband daarmee in redelijkheid geen vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vergunde bebouwing aanzienlijk lager is dan ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan. Voor een beperking van de schaduwwerking van het beoogde bouwwerk op meer tijdstippen dan reeds is geschied, bestond dan ook geen grond.

   Verder wordt in hetgeen appellanten hebben aangevoerd ten aanzien van het welstandsadvies geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen reden is om het advies van de welstandscommissie onjuist te achten en dat het college zijn oordeel omtrent de welstandelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan niet mede op dit advies heeft mogen baseren.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Van Driel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

414