Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200608549/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rundveehouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting). Dit besluit is op 31 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608549/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Renswoude,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rundveehouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting). Dit besluit is op 31 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, en verweerder, vertegenwoordigd door L.J.A.M. van Rhijn, ambtenaar van de gemeente, en D. Vlastuin, wethouder van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor zover appellant betoogt dat verweerder in strijd met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld nu hij de brief van vergunninghouder van 25 oktober 2005 en de geluidberekening met betrekking tot de inrichting van "Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V." (hierna: Cauberg-Huygen) van 12 mei 2005 niet met de aanvraag en het ontwerp-besluit ter inzage heeft gelegd, overweegt de Afdeling het volgende. Verweerder heeft de stukken waar appellant op doelt eerst aangehaald in zijn reactie op de ingebrachte zienswijzen. Zij dienen ter nadere motivering van het bestreden besluit. Nu deze stukken kennelijk niet zijn betrokken bij het opstellen van het ontwerp van het besluit, behoefden zij niet met het ontwerp van het besluit ter inzage worden gelegd.

2.2.    Appellant betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) nu niet aan de minimaal aan te houden afstanden wordt voldaan. Hij voert hiertoe aan dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de woning aan de [locatie] een voormalige bedrijfswoning betreft die thans tot de inrichting behoort.

2.2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt onder een veehouderij verstaan: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

2.2.2.    Vaststaat dat indien de woning [locatie] niet tot de inrichting behoort niet aan de ingevolge de Wet stankemissie minimaal aan te houden afstand wordt voldaan en de vergunning had moeten worden geweigerd.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting bevindt de woning [locatie] zich binnen de grenzen van de inrichting. Voorts is gebleken dat de bewoner van de [locatie], de [bewoner], werkzaamheden verricht ten behoeve van de inrichting. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de woning [locatie] tot de veehouderij behoort en dat deze woning geen bescherming tegen stankhinder afkomstig van die veehouderij geniet. Het betoog van appellant dat thans geen sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer aangezien niet bedrijfsmatig vee gehouden mag worden, en derhalve evenmin sprake kan zijn van een woning behorend tot de inrichting, treft geen doel nu er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit feitelijk sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

   Nu aan de ingevolge de Wet stankemissie minimaal aan te houden afstanden wordt voldaan, heeft verweerder de vergunning in zoverre terecht verleend.

2.2.3.    Voor zover appellant vreest voor stankoverlast als gevolg van de binnen de inrichting aanwezige mestopslag overweegt de Afdeling het volgende. Verweerder heeft zich, gelet op de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften en gezien de afstand tussen de mestopslag en de dichtst bij de mestopslag gelegen woning van derden, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat stankhinder als gevolg van de mestopslag kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt.

2.3.    Appellant voert aan dat er, gezien de ligging van de in- en uitrit tussen zijn woning en de inrichting, geen garantie is dat de gestelde geluidgrenswaarden nageleefd worden.

   Verweerder heeft onderzocht wat de optredende geluidniveaus van het verkeer op de twee in- en uitritten bij of nabij de inrichting zijn. Inrit 1 is de bestaande inrit die tussen de woning van appellant en de inrichting is gelegen. Deze inrit behoort niet tot de inrichting, zodat in dat kader slechts geluidhinder van het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt moet worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als bedoeld in de door verweerder tot uitgangspunt genomen circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Inrit 2 is een nieuwe inrit en behoort wel tot de inrichting. Blijkens voornoemde geluidberekening van Cauberg-Huygen wordt ter plaatse van de woning van appellant, [locatie woning], aan de gestelde geluidgrenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, als gevolg van het in werking zijn van de inrichting, als aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde voor geluidhinder van het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt, voldaan. Gesteld noch gebleken is dat aan deze berekening gebreken kleven. Verweerder heeft derhalve terecht gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

2.4.    Appellant voert aan dat verweerder de aangevraagde fokstieren ten onrechte niet als vleesstieren heeft aangemerkt voor de berekening van stankemissie. Het betreft hier een vleesveebedrijf, zodat geen fokstieren maar vleesstieren gehouden zullen worden, aldus appellant.

   Uit het systeem van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Er zijn onder meer 60 fokstieren aangevraagd. Deze beroepsgrond heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.5.    Appellant voert aan dat het oprichten van de inrichting in strijd is met het op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Reconstructiewet) vastgestelde reconstructieplan en dat verweerder de vergunning, gezien de samenhang tussen de Reconstructiewet en de Wet stankemissie, had moeten weigeren.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 maart 2006 in zaak no. 200506744/1 dienen de doelstellingen van de Reconstructiewet te worden uitgewerkt via doorwerking in het gemeentelijk planologisch beleid. De vraag of de oprichting of de uitbreiding van een veehouderij past binnen de doelstellingen van de Reconstructiewet en het daarop gebaseerde reconstructieplan betreft derhalve niet de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter is verhinderd    ambtenaar van Staat

de uitspraak te ondertekenen.    w.g. Van Hardeveld

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

312-492.