Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9820

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200608638/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft verweerder, op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming in een herbeschikking vastgesteld dat de sanering van het geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van het voormalige tankstation aan de Rijksstraatweg 12a te Hurdegaryp, kadastraal bekend gemeente Hardegarijp, sectie A, nrs. 7516, 7519 en 7709 niet-spoedeisend is. Tevens is bij dit besluit ingestemd met een gefaseerde sanering van het geval van bodemverontreiniging.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2007/105 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608638/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel, gevestigd te Burgum,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft verweerder, op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming in een herbeschikking vastgesteld dat de sanering van het geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van het voormalige tankstation aan de Rijksstraatweg 12a te Hurdegaryp, kadastraal bekend gemeente Hardegarijp, sectie A, nrs. 7516, 7519 en 7709 niet-spoedeisend is. Tevens is bij dit besluit ingestemd met een gefaseerde sanering van het geval van bodemverontreiniging.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door J.C. de Goede en Y. Visser, ambtenaren van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. de Vries en P.M. Baijens, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant voert aan niet in te zien waarom het risico van grote maatschappelijke overlast veroorzaakt door het moeten verleggen van een waterleiding in de eerdere beschikking van 12 december 2000 niet tot een andere fasering heeft geleid en in het bestreden besluit wel als argument wordt gebruikt om tot een andere afweging te komen. Hij betoogt dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende aandacht heeft besteed aan de nadelige gevolgen die de herbeschikking met zich meebrengt voor de herstructurering van het gebied en eventuele werkzaamheden aan nutsleidingen. Hij stelt verder dat de met het besluit te dienen doelen niet evenredig zijn in verhouding tot het belang dat hij bij een snelle en volledige sanering heeft.

2.1.1.    Verweerder voert aan dat de maatschappelijke overlast en de eventuele nadelige gevolgen voor een mogelijke herstructurering van het gebied niet beslissend zijn geweest in zijn afweging of het nieuwe saneringsplan binnen het wettelijk kader van de Wet bodembescherming past. Hij stelt dat het bestreden besluit is genomen op basis van een door Shell ingediend verzoek om instemming met een naar aanleiding van veranderde omstandigheden aangepast saneringsplan. Verweerder is van mening alleen gehouden te zijn om te toetsen of het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen de in het saneringsplan voorgestelde gefaseerde sanering.

2.1.2.    De Afdeling overweegt dat de mogelijkheid van door het bestreden besluit veroorzaakte maatschappelijke overlast en nadelige gevolgen bij een mogelijke herstructurering van het desbetreffende gebied bij de besluitvorming omtrent de instemming met een saneringsplan geen rol kan spelen, omdat die aspecten niet de bescherming van de bodem betreffen. Deze aspecten kunnen in de onderhavige procedure derhalve niet worden getoetst Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.2.    Appellant voert aan dat door de herbeschikking de sanering van de verontreiniging die onder en bij de waterleiding is gelegen vele jaren vertraging zal oplopen. Hij stelt er op grond van de vorige beschikking van 12 december 2000 op te hebben mogen vertrouwen dat de bodemverontreiniging binnen afzienbare tijd zou zijn verwijderd.

2.2.1.    Op 1 januari 2006 is de nieuwe Wet bodembescherming in werking getreden. In artikel II, derde lid, van de overgangsbepaling uit de Wijzigingswet Wet bodembescherming van 15 december 2005 (Staatsblad 2005, nr. 680) wordt bepaald dat beschikkingen die zijn gegeven krachtens artikel 29 juncto 37 van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen golden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet van kracht blijven. Deze beschikkingen worden voor de toepassing van de nieuwe Wet bodembescherming gelijkgesteld met beschikkingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de nieuwe Wet bodembescherming met dien verstande dat de vaststelling dat sprake is van urgentie om het betrokken geval te saneren, wordt gelijkgesteld met de vaststelling dat spoedige sanering noodzakelijk is. Indien in een gegeven beschikking een tijdstip is vastgesteld met betrekking tot de aanvang van de sanering dat ligt ten minste vier jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet kan degene tot wie die beschikking is gericht het bestuursorgaan dat tot het verlenen van beschikkingen als bedoeld in artikel 37 van de nieuwe Wet bodembescherming bevoegd is, verzoeken om wijziging van de gegeven beschikking. Het verzoek wordt gedaan ten minste een jaar voor het verstrijken van het bedoelde tijdstip. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op het verzoek binnen de termijn, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de nieuwe Wet bodembescherming, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 37 van de Wet bodembescherming.

2.2.2.    Bij besluit van 12 december 2000 heeft verweerder op grond van artikel 37 van de Wet bodembescherming (oud) vastgesteld dat binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dat besluit met de sanering van het onderhavige geval van bodemverontreiniging moet worden gestart. Dit tijdstip ligt niet ten minste vier jaar na de inwerkingtreding van de vernieuwde Wet bodembescherming zodat verweerder het verzoek tot wijziging van de gegeven beschikking op dit punt niet had mogen inwilligen. Het beroep treft in zoverre derhalve doel.

2.3.    Appellant voert aan dat het risico bestaat dat de nog niet gesaneerde bodemverontreiniging zich verder zal gaan verspreiden. Hij vreest dat het reeds gesaneerde gedeelte hierdoor opnieuw verontreinigd kan raken en dat ook andere terreinen verontreinigd kunnen raken.

2.3.1.    Verweerder voert aan dat uit monitoringsgegevens blijkt dat de restverontreiniging geen verspreidingsrisico met zich meebrengt. Daarnaast is een grondwatermonitoringsprogramma opgesteld om als de verontreiniging zich tegen alle verwachting in toch mocht verspreiden de in het saneringsplan opgenomen beheersmaatregelen in werking kunnen worden gesteld.

2.3.2.    Artikel 38, eerste lid, bepaalt dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uit voert dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voldoende maatregelen zijn genomen om een mogelijke verspreiding van de verontreiniging te signaleren en zonodig met het treffen van maatregelen te voorkomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen reden bestond om niet het onderhavige saneringsplan in te stemmen vanwege een risico voor de verdere verspreiding van de verontreiniging. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4.    Appellant voert aan dat bij een bodemsanering het risico van meerkosten door een gebleken andere ligging van leidingen altijd aanwezig is. De leidingen liggen slechts 30 centimeter dieper dan was aangenomen. Volgens appellant heeft verweerder ten onrechte niet aangetoond dat de onderhavige meerkosten het normale risico overstijgen.

2.4.1.    Verweerder stelt dat het bestreden besluit is genomen op basis van een door Shell ingediend verzoek om instemming met een naar aanleiding van veranderde omstandigheden aangepast saneringsplan. Verweerder is van mening alleen gehouden te zijn om te toetsen of een en ander past binnen het wettelijk kader van de Wet bodembescherming. Daarbij heeft hij geconcludeerd dat het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen de in het saneringsplan voorgestelde gefaseerde sanering.

2.4.2.    Artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, bepaalt dat een saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten behoeft, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

   De Afdeling overweegt dat hieruit volgt dat verweerder al dan niet dient in te stemmen met het saneringsplan zoals dat is ingediend. Bij die beoordeling is verweerder niet bevoegd te bepalen dat, in afwijking van dat ingediende saneringsplan, een ander saneringsplan dient te worden uitgevoerd. Dien ten gevolgen heeft onderzoek naar de mogelijkheden daartoe geen zin.

   Gezien het voorgaande biedt hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met het ingediende saneringsplan en de daarin opgenomen saneringsdoelstelling had kunnen instemmen. De beroepsgrond slaagt niet.

2.5.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij de spoedeisendheid van het geval van bodemverontreiniging opnieuw is vastgesteld. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 17 oktober 2006, kenmerk 650074 FR/136/0049, voor zover daarbij de spoedeisendheid van het geval van bodemverontreiniging opnieuw is vastgesteld;

III.    bepaalt dat de spoedeisendheid van het onderhavige geval van bodemverontreiniging ongewijzigd blijft;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI.    gelast dat de Provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 144,00 (zegge: honderdvierenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll     w.g. Klap

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

315