Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200607017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft verweerder op grond van artikel 40 van de Wet bodembescherming ingestemd met een deelsaneringsplan voor het geval van bodemverontreiniging op de locatie Zijlsingel 36 te Leiden.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 102 met annotatie van J.H.G. van den Broek
JBO 2007/103 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607017/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2006 heeft verweerder op grond van artikel 40 van de Wet bodembescherming ingestemd met een deelsaneringsplan voor het geval van bodemverontreiniging op de locatie Zijlsingel 36 te Leiden.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 januari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. Th.J.H.W. Juta en verweerder, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen, ir. H. de Jong en ir. M.J.M. Reinders, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij de onderhavige deelsanering zal met behulp van onttrekkingsbronnen een met olie verontreinigde drijflaag op het grondwater worden weggenomen. De resterende met olie verontreinigde bodem zal naar aanleiding van een nog in te dienen saneringsplan verder worden gesaneerd.

2.2.    Appellant voert aan dat de in het deelsaneringsplan opgenomen maatregelen te beperkt zijn. De sanering had het gehele geval moeten omvatten en had zich ook tot zijn perceel behoren uit te strekken. Volgens hem worden onder de gebouwen gelegen ondergrondsetanks niet verwijderd, waardoor de bron van de verontreiniging aanwezig blijft. Wanneer alleen een drijflaag op het grondwater verwijderd wordt en de resterende bodemverontreiniging niet, wordt de resterende verontreiniging niet geïsoleerd. Volgens hem heeft dat tot gevolg althans bestaat daardoor de mogelijkheid dat herverontreiniging van het gesaneerde gedeelte en verdere verontreiniging van de nog niet gesaneerde percelen zal plaatsvinden.

   Hij verwijst in dit verband naar het naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2002 no. 200200285/1 door verweerder genomen besluit van 15 november 2002, waarin volgens hem staat dat de sanering in het jaar 2006 dient te zijn voltooid.

2.2.1.    Verweerder stelt dat met het bestreden besluit een aanvang wordt gemaakt met de aanpak van het onderhavige geval van bodemverontreiniging. Volgens hem maakt de Wet bodembescherming het mogelijk een deelsanering uit te voeren indien die deelsanering niet leidt tot verdere verspreiding van de verontreiniging en een latere sanering niet in de weg staat. Een besluit over de sanering van de rest van het geval van verontreiniging valt volgens verweerder in de loop van 2007 te verwachten.

    Volgens verweerder gaat een mogelijke verspreiding van de resterende verontreiniging zo traag dat tegen de tijd dat de verontreiniging het terrein van de deelsanering heeft bereikt met de sanering van het resterende deel zal zijn begonnen. Volgens verweerder betekent dit dat de deelsanering zich niet verzet tegen het belang van de bescherming van de bodem.

2.2.2.    In artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt bepaald dat indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, gedeputeerde staten, in afwijking van de artikelen 28 en 39, kunnen toestaan bij een melding als bedoeld in artikel 28, die een voornemen betreft om een handeling te verrichten ten gevolge waarvan slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst, te volstaan met het verstrekken van: a. de resultaten van een nader onderzoek van het betrokken gedeelte en b. een saneringsplan voor het betrokken gedeelte.

   In het tweede lid van artikel 40 van de Wet bodembescherming wordt bepaald dat de stukken, bedoeld in het eerste lid, de instemming behoeven van gedeputeerde staten. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

   In artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming wordt, voor zover hier van belang bepaald dat het saneringsplan de instemming behoeft van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

   Artikel 38, eerste lid, bepaalt dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uit voert dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.2.3.    Het uitgangspunt van de Wet bodembescherming, zoals blijkt uit onder meer de artikelen 28, 29, 37 en 39 daarvan, is dat saneringshandelingen zijn gericht op sanering van een geval van verontreiniging zoals omschreven in artikel 1 van de Wet bodembescherming. Weliswaar bieden de artikelen 38, derde lid en 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming de mogelijkheid dat de sanering in fasen wordt uitgevoerd, respectievelijk handelingen worden verricht waarbij slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst, doch die bepalingen doen niet af aan het hiervoor genoemde uitgangspunt. Voor het antwoord op de vraag of verweerder toepassing kon geven aan artikel 40 van de Wet bodembescherming moet dan ook worden bezien of het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet en hoe de voorziene deelsanering past binnen de sanering van het geval van verontreiniging.

   De Afdeling overweegt dat, anders dan appellant stelt, het besluit van 15 november 2002 niet inhoudt dat de sanering in het jaar 2006 moet zijn voltooid, maar dat met de sanering een aanvang moet zijn gemaakt.

   De Afdeling stelt vast dat uit de stukken blijkt dat bij een uitgevoerd metaaldetectieonderzoek geen tanks in de bodem zijn aangetroffen. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat er nog verdere verontreiniging van de bodem zal kunnen ontstaan door daar aanwezige tanks.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat een herverontreiniging van het gesaneerde grondwater en een verdere verspreiding van de achterblijvende verontreiniging voordat met de sanering van het resterende deel wordt begonnen, niet aannemelijk is.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat instemming met het onderhavige deelsaneringsplan niet in strijd is met het belang van de bescherming van de bodem. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3.    Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van onjuiste gegevens met betrekking tot de diepte van de verontreiniging. Volgens hem zijn sinds 2002 geen monsters meer in zijn tuin genomen. Hij stelt dat de verontreiniging in zijn tuin al op een diepte van 60 centimeter onder het maaiveld wordt aangetroffen en niet pas op meer dan 1 meter.

2.3.1.    Verweerder voert aan dat de verontreiniging op een diepte van 1 meter zit zodat de minerale olie in de bodem geen invloed heeft op de teelt van consumptiegewassen.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat uit de stukken blijkt dat in 2002, 2003 en 2006 bemonstering in de tuin van appellant heeft plaatsgevonden. Tevens blijkt dat de verontreiniging in de tuin van appellant zich op een diepte van 90 centimeter onder het maaiveld bevindt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verontreiniging geen invloed op de teelt van consumptiegewassen heeft. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll     w.g. Klap

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

315