Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200608699/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renswoude (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de paardenstal/woonruimte op het perceel "[locatie]" te [plaats] overeenkomstig de bestemmingsplanbepalingen aan te passen, voor bewoning ongeschikt te maken en het gebruik van de paardenstal als woonruimte te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608699/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 06/3365 en 06/3363 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 10 oktober 2006

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Renswoude.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renswoude (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de paardenstal/woonruimte op het perceel "[locatie]" te [plaats] overeenkomstig de bestemmingsplanbepalingen aan te passen, voor bewoning ongeschikt te maken en het gebruik van de paardenstal als woonruimte te beëindigen.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2006, verzonden op 22 februari 2006, heeft de rechtbank Utrecht het door appellant tegen het besluit van 15 maart 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het college appellant onder handhaving van de bij besluit van 8 november 2004 opgelegde dwangsom gelast het gebruik van de paardenstal als woonruimte te beëindigen en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2006, verzonden op 20 oktober 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. C.M.H. Cohen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.C. van Essen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat de paardenstal als woning wordt gebruikt. In de paardenstal bevinden zich op de begane grond een keuken, een douche en een berging en op de eerste verdieping een woonkamer en een slaapkamer.

2.2.    Ingevolge het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Renswoude 1995" heeft het perceel waarop de paardenstal zich bevindt de bestemming "Agrarisch gebied". Een woning mag op gronden met deze bestemming alleen worden gebouwd ter plaatse van een bouwperceel. De voormalige paardenstal bevindt zich niet binnen een agrarisch bouwperceel.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

2.3.    Het gebruik van de paardenstal als woning is dan ook in strijd is met de bestemming van het perceel, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Anders dan appellant heeft gesteld is de voorzieningenrechter tot het juiste oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

   Met name heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het standpunt van het college dat het perceel objectief bezien overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt rechtens onjuist is. Het beroep van appellant op artikel 25, vierde lid, van de planvoorschriften, waarin de zogeheten toverformule is neergelegd, gaat daarom niet op.

   Voorts verzetten het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht Oost en het negatieve advies van de Reconstructiecommissie zich tegen partiële herziening van het bestemmingsplan.

   Tenslotte wordt in dit verband nog opgemerkt dat een door appellant gevraagde bouwvergunning voor de tot woning omgebouwde paardenstal inmiddels door het college is geweigerd.

2.5.    Evenzeer terecht is de voorzieningenrechter tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat het college in dit geval van de aanschrijving had moeten afzien.

   Niet is gebleken dat het college de bewoning van de paardenstal heeft gedoogd, zoals door appellant is gesteld. Het college heeft de bewoning eerst op 6 mei 2004 geconstateerd en is enkele weken daarna daartegen opgetreden. De voorzieningenrechter heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat in de door appellant op 19 augustus 2002 ondertekende akkoordverklaring voor de aanleg van de hoofdriolering, uitdrukkelijk is aangegeven dat die aanleg plaatsvindt ten behoeve van de toiletunit van de paardenstal. Hieraan kan dan ook geen aanwijzing worden ontleend dat het college vóór mei 2004 al wist of behoorde te weten dat de paardenstal als woning wordt gebruikt.

   De door appellant genoemde omstandigheden dat de vorige eigenaar de paardenstal reeds als woonruimte in gebruik had en dat uit het aanslagbiljet WOZ blijkt dat sprake is van bewoning, kunnen, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld, niet als zodanige bijzondere omstandigheden worden aangemerkt.

2.6.    De slotsom moet zijn dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden mocht besluiten. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers     w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

202