Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200608032/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht (hierna: de korpsbeheerder) het verzoek van appellant om openbaarmaking van documenten gedeeltelijk afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet politieregisters
Wet politieregisters 1
Wet politieregisters 14
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 2
Wet bescherming persoonsgegevens 16
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 328 met annotatie van P.J. Stolk
JB 2007/180 met annotatie van M.O-V.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608032/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/70 van de rechtbank Utrecht van 28 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht (hierna: de korpsbeheerder) het verzoek van appellant om openbaarmaking van documenten gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft de korpsbeheerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 september 2006, verzonden op 29 september 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) voor zover van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de korpsbeheerder met inachtneming van de uitspraak binnen zes weken een nader besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2006, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 6 december 2006 heeft appellant de gronden aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 17 november 2006 heeft de korpsbeheerder, opnieuw beslissend op het bezwaar van appellant, het bezwaar deels gegrond verklaard, het besluit van 25 augustus 2004 in zoverre herroepen en alsnog gedeeltelijk informatie verstrekt.

Bij besluit van 14 december 2006 heeft de korpsbeheerder van antwoord gediend.

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft de korpsbeheerder in aanvulling op het besluit van 17 november 2006 nadere informatie verstrekt.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch adviesbureau Maury, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. D.E. Blonk, werkzaam bij de politie regio Utrecht, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in artikel 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(..);

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(..).

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet politieregisters (hierna: de Wpolr) wordt onder politieregister of register verstaan een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens

- die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd, en

- die is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak.

   Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder h, van dit artikel wordt onder het verstrekken van gegevens uit een politieregister verstaan het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen.

   Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder i, wordt onder persoonsgegevens verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp).

   Bij en krachtens de artikelen 14 tot en met 19 van de Wpolr is bepaald aan welke (rechts)personen gegevens uit het politieregister moeten of mogen worden verstrekt.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wbp is deze wet van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

   Ingevolge artikel 16 van de Wbp, voor zover hier van belang, is de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands politieke gezindheid verboden behoudens het bepaalde in de paragraaf waarin dit artikel is opgenomen.

2.2.    Appellant heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de op 29 november 2003 door Koerden in Utrecht gehouden demonstratie (hierna: de Koerdische demonstratie).

De korpsbeheerder heeft bij zijn primaire besluit van 25 augustus 2004 afschriften verstrekt van de kennisgeving van de Koerdische demonstratie en van de vergunning voor het neerzetten van een kraam, onder anonimisering - op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob - van persoonsnamen, adresgegevens en telefoonnummers.

   Voorts heeft de korpsbeheerder bij dit besluit openbaarmaking van het ten behoeve van de Koerdische demonstratie gemaakte draaiboek van de politie geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder c en d van de Wob.

   Openbaarmaking van twee mutaties de dato 29 november 2003 heeft de korpsbeheerder geweigerd omdat de Wet op de politieregisters hieraan in de weg staat.

2.2.1.    Bij besluit van 3 februari 2005 heeft de korpsbeheerder het besluit van 25 augustus 2004 gehandhaafd.

2.2.2.    De korpsbeheerder heeft voorts, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, waarbij het besluit van 3 februari 2005, voor zover dit betrekking heeft op het draaiboek is vernietigd, op 17 november 2006 opnieuw beslist op het bezwaar van appellant.

   De korpsbeheerder heeft bij dit besluit alsnog informatie verschaft over de beschrijving in het draaiboek van het te verwachten feitelijke verloop van de Koerdische demonstratie en de route van deze demonstratie in de paragrafen 1, 2 en 3 van het draaiboek en voorts informatie verstrekt over de totale omvang van het draaiboek (10 pagina's).

2.2.2.1.    Aangezien bij dit nieuwe besluit niet volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellant, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, geacht mede een beroep tegen dit nieuwe besluit in te houden.

2.2.3.    In aanvulling op het besluit van 17 november 2006 heeft de korpsbeheerder bij besluit van 12 maart 2007 aan appellant een afschrift toegezonden van een op 29 november 2003 gedateerde mutatie (mutatie 1) van een politiefunctionaris betreffende diens waarneming van de Koerdische demonstratie. Verstrekking van een tweede mutatie (mutatie 2) heeft de korpsbeheerder wederom geweigerd omdat deze grotendeels tot personen herleidbare gegevens bevat en onder de Wet politieregisters valt, die ten opzichte van de Wob een bijzondere wet is.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder terecht naam, adres en telefoonnummer van de organisator(en) van de demonstratie onleesbaar heeft gemaakt. Appellant ziet niet in waarom het vrijgeven van deze gegevens een inbreuk zou kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer en waarom dit zwaarder zou moeten wegen dan het belang van openbaarheid, nu de organisatoren van de demonstratie met het organiseren van de demonstratie de publiciteit hebben gezocht.

   Appellant kan zich verder niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat openbaarmaking van namen en doorkiesnummers van ambtenaren vermeld in het afschrift van de vergunning een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou vormen. Appellant betoogt dat het doorkiesnummer van een ambtenaar uitsluitend diens beroepsmatig functioneren betreft. Bovendien heeft de vergunningverlenende instantie zelf de naam van de ambtenaar al openbaar gemaakt door deze in de brief op te nemen en aan de vergunninghouder te zenden. Het betoog van de korpsbeheerder dat het doorkiesnummer uitsluitend voor intern gebruik is bedoeld, is niet herleidbaar tot een uitzonderingsgrond neergelegd in de Wob.

   Appellant is van mening dat de bij het besluit van 12 maart 2007 toegezonden mutatie onvolledig is. Voorts heeft de korpsbeheerder niet gemotiveerd waarom hij informatie over de twee andere evenementen van die dag heeft geweigerd. Appellant onderkent dat hij over deze evenementen geen informatie heeft gevraagd, doch beroept zich op de nauwe onderlinge samenhang tussen de evenementen.

   Appellant betwijfelt of de tweede mutatie uitsluitend persoonsgegevens bevat.

   Appellant beoogt alsnog in aanmerking te komen voor vergoeding van de proceskosten welke zijn gemaakt ten behoeve van de op 23 februari 2005 gehouden inlichtingencomparitie .

   Appellant heeft tot slot opgemerkt dat de korpsbeheerder ten onrechte heeft nagelaten toepassing te geven aan artikel 7:15 Awb nu tijdens de bezwaarfase hierom uitdrukkelijk is verzocht.

2.4.    De korpsbeheerder heeft gezien de bewoordingen van de brief van 15 januari 2004 het verzoek om openbaarmaking op goede gronden beperkt geacht tot de demonstratie van de Koerden, in de stukken bekend als evenement 2.

2.5.    De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de door de korpsbeheerder vertrouwelijk overgelegde documenten.

2.5.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de korpsbeheerder, gezien de inhoud en aard van de stukken, terecht de naam, het adres en het telefoonnummer van de organisatoren van de Koerdische demonstratie niet openbaar heeft gemaakt. Verstrekking daarvan zou een directe inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. Evenals de rechtbank overweegt de Afdeling dat de enkele omstandigheid dat door het organiseren van een demonstratie de hierbij betrokken personen zich in de openbaarheid hebben begeven nog niet meebrengt dat zij daarbij tevens hun persoonsgegevens, die zij in het kader van een vergunningaanvraag hebben moeten verstrekken, aan de openbaarheid prijsgeven.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 juli 2004 in zaak no. 200400090/1 (AB 2004, 349) kan, waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het ten aanzien van zodanig functioneren in beginsel geen beroep kan worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, maar dat dit anders ligt indien het betreft het openbaarmaken van namen van de ambtenaren. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaarmaken daarvan verzetten. Voorts is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking van de naam in de zin van de Wob.

   Terecht heeft de korpsbeheerder zich op het standpunt gesteld dat het voor een ieder duidelijk is dat de behandelend ambtenaar werkzaam is bij de gemeente Utrecht, Dienst stadsbeheer, Beleid en Buitenruimte, afdeling Evenementen. Doordat van deze afdeling en het kenmerk van de correspondentie zijn vermeld kan informatie worden ingewonnen. Dit kan ook door gebruik te maken van een algemeen telefoonnummer. Voor wat betreft de bereikbaarheid van het bestuursorgaan als zodanig komt aan een doorkiesnummer een ondergeschikte betekenis toe. Het belang van openbaarheid van naam en doorkiesnummer weegt in dit geval niet op tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaar. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat de korpsbeheerder deze gegevens terecht niet openbaar heeft gemaakt.

2.7.    Wat mutatie 2 betreft heeft de korpsbeheerder in zijn besluit van 12 maart 2007 overwogen dat deze grotendeels tot personen herleidbare gegevens bevat en integraal onder de Wpolr valt. De Afdeling is na kennisneming van de vertrouwelijke stukken van oordeel dat mutatie 2 geen verzameling persoonsgegevens behelst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wolpr, zodat toepassing had moeten worden gegeven aan de Wob, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 november 2006 in zaak no. 200601984/1 (AB 2007, 24). De korpsbeheerder heeft derhalve op onjuiste grondslag geweigerd in zoverre een afschrift van de tweede mutatie te verstrekken.

   Het beroep tegen het besluit van 17 november 2006, als aangevuld bij besluit van 12 maart 2007, is in zoverre gegrond.

2.8.    In de kosten verbonden aan de op 23 februari 2005 gehouden comparitie, die appellant vergoed wenst te zien, heeft de Afdeling bij uitspraak van 21 maart 2007 in zaak 200604139/1 een veroordeling ten laste van het bestuursorgaan uitgesproken. Voor de gevraagde vergoeding is derhalve thans geen plaats.

2.9.    Appellant heeft erop gewezen dat hij in de bezwaarfase heeft verzocht om toepassing van artikel 7:15 van de Awb, doch dat de korpsbeheerder heeft nagelaten bij zijn besluit van 17 november 2006 hierover een beslissing te nemen.

2.9.1.    In het besluit van 17 november 2006 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak van de rechtbank, is de korpsbeheerder gedeeltelijk teruggekomen op het standpunt dat hij in het besluit van 25 augustus 2004 heeft ingenomen en heeft hij dat besluit in zoverre herroepen.

2.9.2.    In het kader van artikel 7:15 van de Awb moet worden onderzocht of de herroeping een gevolg is van een aan de korpsbeheerder te wijten onrechtmatigheid.

   Voor de in bezwaar gehandhaafde weigering de beschrijving in het draaiboek van de route van de Koerdische demonstratie en gegevens over de totale omvang van het draaiboek openbaar te maken was geen grond aanwezig. Pas naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de korpsbeheerder de stukken die daarop zien, verstrekt. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat in zoverre aan voormelde maatstaf is voldaan.

   Hieruit volgt dat de korpsbeheerder bij zijn besluit van 17 november 2006 een vergoeding van de kosten die appellant in bezwaar heeft gemaakt, had moeten toekennen.

   In zoverre is het beroep tegen het besluit van 17 november 2006 gegrond. De Afdeling zal de korpsbeheerder op navolgende wijze alsnog in de kosten van bezwaar veroordelen.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

   Het beroep tegen het besluit van 17 november 2006, als aangevuld bij het besluit van 12 maart  2007 is gegrond. Het besluit van 17 november 2006 dient te worden vernietigd in zoverre is nagelaten met betrekking tot mutatie 2 de Wob toe te passen en in zoverre dit besluit niet strekt tot vergoeding van de kosten in bezwaar. De korpsbeheerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal op navolgende wijze de korpsbeheerder alsnog in de proceskosten in bezwaar veroordelen.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht van 17 november 2006, kenmerk 06/4169 gegrond;

III.    vernietigt het onder II vermelde besluit in zoverre de korpsbeheerder heeft nagelaten mutatie 2 openbaar te maken en in zoverre de korpsbeheerder heeft nagelaten de kosten in bezwaar te vergoeden;

IV.    draagt de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht op binnen 10 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

V.    veroordeelt de korpsbeheerder van de politie regio Utrecht tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de politie regio Utrecht aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. De Koning

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

221