Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200608386/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft verweerder een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de verandering van een inrichting voor betonproducten van [vergunninghoudster], gelegen aan de [locatie] te [plaats], gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608386/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft verweerder een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de verandering van een inrichting voor betonproducten van [vergunninghoudster], gelegen aan de [locatie] te [plaats], gegeven.

Bij besluit van 6 oktober 2006, verzonden op 10 oktober 2006, heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 april 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2007, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. A.W. Lameijer-Hellendoorn en M.J. van Binsbergen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door C. de Ruiter.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

   a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

   b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

   c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.2.    Bij besluit van 29 mei 2000 heeft verweerder aan vergunninghoudster een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de inrichting. De melding heeft betrekking op het plaatsen en gebruiken van een machine voor het stralen van betontegels.

2.3.    Appellant betoogt dat de melding ten onrechte is geaccepteerd, aangezien verweerder er volkomen aan voorbij gaat dat als gevolg van het stralen met grit tegen tegels welke bestaan uit zand, grint en cement er een situatie ontstaat die gelijk te stellen is met zandstralen hetgeen verboden is. Volgens appellant zullen de straalwerkzaamheden ertoe leiden dat geplette kwartskristallen in de productiemachine vrijkomen en als zodanig door de daarvoor niet ontworpen filters heen gaan met het gevolg dat de omgeving op korte en langere tijd blootgesteld zal worden aan deze kankerverwekkende stof.

2.3.1.    Verweerder stelt dat de wijziging van de inrichting niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de geldende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Hij stelt dat de tegelstraalmachine in de plaats is gekomen van een tweetal open tegelpersmachines. De tegelstraalmachine is nagenoeg geheel gesloten uitgevoerd en wordt inpandig opgesteld. De machine beschikt anders dan de tegelpersmachines over een afzuigsysteem met een filter waardoor de stofemissies en de emissie van zwevende deeltjes (PM10) sterk gereduceerd worden. Volgens verweerder levert een vergelijkbare straalmachine een bijdrage aan de achtergrondconcentratie zwevende deeltjes van ongeveer 0,5 µg/m3 en kunnen de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 opgenomen grenswaarden ruimschoots worden nageleefd.

2.3.2.    Gelet op de door verweerder in aanmerking genomen omstandigheden en de conclusie hierover in het deskundigenbericht, is de Afdeling van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de activiteiten in de inrichting niet leiden tot een toename van de concentratie van zwevende deeltjes ten opzichte van de eerder vergunde situatie.

   Wat betreft de vrees van appellant voor het vrijkomen van geplette kwartskristallen als gevolg van de straalwerkzaamheden wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat door het toepassen van een doekenfilter, zijnde de beste beschikbare techniek voor de bestrijding van de emissie van stof, de bij het stralen van betontegels vrijkomende kwartskristallen worden afgevangen. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat de in de inrichting toegepaste doekenfilters toereikend zijn om de emissie van kwartskristallen te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.3.3.    Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de gemelde verandering in zoverre niet leidt tot andere dan wel grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken, hetgeen door appellant ter zitting ook is erkend. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Voor zover appellant ter zitting de suggestie heeft gedaan om bij de vervaardiging van de betonproducten in plaats van het thans gebruikte zand Australisch zand te gebruiken, merkt de Afdeling op dat dit in het kader van deze melding niet aan de orde kan zijn.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens     w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

159-209.