Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200703488/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200703488/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,

verzoeker,

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 21 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2007, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Rotterdam, ir. M. Burger en drs. M.F.Y. Topee, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Lanting en ing. A. Blomsma, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 31 januari 2005 heeft verweerder aan verzoeker een vergunning verleend krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor onder meer het lozen van met regenwater verdund afvalwater dat via overstorten van het rioolstelsel in het oppervlaktewater wordt geloosd.

   In artikel 3, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, zijn saneringsmaatregelen opgenomen teneinde de waterkwaliteit te verbeteren. Hiertoe dienen een aantal overstorten te worden opgeheven of te worden vervangen en dient voor een aantal overstorten een saneringsplan te worden opgesteld waarin aanvullende maatregelen worden geformuleerd.

2.2.    Niet in geschil is dat het genoemde artikel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd overtreden, zodat verweerder bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

2.2.1.    Verzoeker betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, zodat verweerder had moeten afzien van zijn bevoegdheid tot handhaving. In dit kader voert hij aan dat reeds ten tijde van de vergunningverlening bekend was dat de voorgeschreven maatregelen waren gebaseerd op verouderde gegevens van het rioolstelsel en dat een herberekening diende plaats te vinden. De herberekeningen van het rioolstelsel en de kwaliteit van het oppervlaktewater zijn volgens verzoeker inmiddels bijna afgerond. Verzoeker stelt dat hij met verweerder in overleg is over een nieuwe aanvraag om vergunning, waarin de alternatieve maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren worden opgenomen. Onder deze omstandigheden is het handhavend optreden volgens hem onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.3.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verzoeker na de verlening van de vergunning een herberekening van het rioolstelsel en een onderzoek naar de kwaliteit van het oppervlaktewater laten uitvoeren, teneinde te controleren of en in hoeverre de in de vergunning voorgeschreven maatregelen accuraat zijn en om te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn om aan het zogenoemde waterkwaliteitsspoor te kunnen voldoen. Verweerder heeft ter zitting niet weersproken dat reeds ten tijde van de vergunningverlening bekend was dat de gebruikte modelberekeningen waarop de voorgeschreven maatregelen waren gebaseerd achterhaald waren, zodat nader onderzoek noodzakelijk was. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een door ingenieursbureau Tauw opgesteld conceptrapport. Blijkens de stukken worden in dit rapport andere maatregelen voorgesteld dan de in de voorschriften voorgeschreven maatregelen. Tussen partijen is niet in geschil dat de voorgestelde maatregelen zullen bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit ter plaatse.

   Tussen verzoeker en verweerder heeft overleg plaatsgevonden over het conceptrapport. Voorts waren zij reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in overleg over een herziening van de huidige vergunning, waarin de alternatieve of nieuwe maatregelen zullen worden opgenomen. Blijkens het verhandelde ter zitting is het definitieve onderzoeksrapport naar verwachting op korte termijn gereed. Alsdan zal verzoeker een aanvraag voor wijziging van de thans verleende vergunning indienen.

   Gezien deze omstandigheden, en nu niet is gebleken dat de nadelige gevolgen voor het milieu zodanig zijn dat onmiddellijke uitvoering van de in de vergunning noodzakelijke maatregelen noodzakelijk is, ziet de Voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Aan bespreking van de overige gronden van het verzoek komt de Voorzitter niet toe.

2.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 10 april 2007, kenmerk 07.10758/V.37324, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Hoogheemraadschap van Rijnland aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat het Hoogheemraadschap van Rijnland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd     w.g. Fransen

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

407-489.