Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200700006/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft appellant de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorvoertuigen tot en met 3500 kg (hierna: de erkenning) van [wederpartij] ingetrokken voor een periode van twaalf weken, ingaande op 22 augustus 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2007/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700006/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 06/3485 en 06/3484 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 november 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft appellant de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorvoertuigen tot en met 3500 kg (hierna: de erkenning) van [wederpartij] ingetrokken voor een periode van twaalf weken, ingaande op 22 augustus 2006.

Bij besluit van 18 september 2006 heeft appellant het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 november 2006, verzonden op 29 november 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 februari 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de Dienst Wegverkeer, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M. Hoogendoorn en [gemachtigde], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover thans van belang, kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Erkenningsregeling APK (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, wordt een voertuig door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld onder verstrekking van de onder a tot en met h genoemde gegevens.

   Ingevolge artikel 58, voor zover thans van belang, wordt terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning indien door de erkenninghouder de in artikel 44 neergelegde verplichtingen niet worden nageleefd.

   In Bijlage 1 bij de Toezichtbeleidsbrief APK erkenninghouders van 1 maart 2000 (hierna: Bijlage 1), wordt het afgeven van een keuringsrapport zonder dat het voertuig is afgemeld, genoemd als voorbeeld van een overtreding die direct aanleiding geeft tot het intrekken van de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorvoertuigen voor de duur van 12 weken.

2.2.    De voorzieningenrechter heeft het besluit van 18 september 2006 vernietigd. Naar zijn oordeel heeft appellant niet voldoende duidelijk weten te maken waarom hij in een vergelijkbaar geval (uitspraak van 1 oktober 2003 in zaak no. 200301282/1), is overgegaan tot beperking van de duur van de intrekking van de erkenning tot negen weken, terwijl daarvan in dit geval is afgezien. Het bestreden besluit is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd.      

2.3.    Niet in geschil is dat [wederpartij] artikel 44, derde lid, van de Regeling heeft overtreden. Blijkens het beleid van appellant, zoals neergelegd in Bijlage 1, geeft deze overtreding direct aanleiding tot het intrekken van de erkenning voor de duur van twaalf weken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 mei 2004 in zaak no. 200304551/1), is dit beleid niet onredelijk.

2.4.    Appellant betoogt, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 1 oktober 2003, zodat deze uitspraak geen aanleiding gaf om ten gunste van [wederpartij] van het beleid af te wijken. Aangezien de duur van de intrekking in overeenstemming is met het beleid, was een nadere motivering van de opgelegde maatregel niet vereist, aldus appellant.

2.4.1.    Dit betoog slaagt. Anders dan de voorzieningenrechter, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de onderhavige zaak en de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 1 oktober 2003, kunnen worden aangemerkt als gelijke of vergelijkbare gevallen. Zowel de feiten als de betrokken overtreden bepalingen in beide zaken verschillen van elkaar. [wederpartij] heeft artikel 44, derde lid, van de Regeling overtreden door het afgeven van een APK-keuringsrapport zonder het gekeurde voertuig af te melden bij appellant. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 1 oktober 2003 was sprake van overtreding van artikel 44, zevende lid, artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder d en artikel 46, tweede lid, van de Regeling, omdat een aan een steekproef te onderwerpen voertuig niet in de keuringsplaats van de betrokken erkenninghouder aanwezig was. Dat beide overtredingen in beginsel leiden tot een intrekking van de erkenning voor de duur van twaalf weken, is onvoldoende voor het oordeel dat beide zaken gelijk of vergelijkbaar zijn.

2.4.2.    Nu [wederpartij] ook overigens bijzondere omstandigheden, op grond waarvan appellant blijkens zijn beleid de duur van de intrekking had kunnen beperken, niet aannemelijk heeft gemaakt, is appellant terecht overgegaan tot intrekking van de erkenning van [wederpartij] voor de duur van twaalf weken.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2006 van appellant alsnog ongegrond verklaren.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 17 november 2006 in zaak no. SBR 06/3484;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in die zaak ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink     w.g. Klein

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007.

176-546.