Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
200608903/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2004 heeft verweerder het verzoek van appellant van 9 juni 2004 om handhavend op te treden met betrekking tot een onder meer aan de [locatie] te [plaats] gelegen inrichting afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/541
JOM 2007/790
Milieurecht Totaal 2007/3340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608903/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2004 heeft verweerder het verzoek van appellant van 9 juni 2004 om handhavend op te treden met betrekking tot een onder meer aan de [locatie] te [plaats] gelegen inrichting afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder beslist op het hiertegen gemaakte bezwaar.

Bij uitspraak van 4 januari 2006, in zaak no. 200503750/1, heeft de Afdeling het tegen dit besluit ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit gedeeltelijk vernietigd.

Tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar heeft appellant bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2006, beroep ingesteld.

Bij besluit van 8 januari 2007, verzonden op 10 januari 2007, heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 25 januari 2007 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door M. Smits en P. Davits, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Nu bij besluit van 8 januari 2007 alsnog op het bezwaar is beslist, bestaat geen processueel belang bij de beoordeling van het tegen het uitblijven van een besluit ingestelde beroep.

   Het beroep wordt ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede te zijn gericht tegen de alsnog genomen beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit).

2.2.    Appellant heeft bij brief van 9 juni 2004 verzocht om handhavend optreden vanwege het binnen de inrichting aanwezig zijn van een grotere loods dan ingevolge de voor de inrichting geldende milieuvergunning is toegestaan en vanwege stalling van voertuigen.        

2.3.    De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 4 januari 2006, in zaak no. 200503750/1, geoordeeld dat de uitbreiding van de loods in strijd is met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat verweerder zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht om hiertegen op te treden. In dit opzicht is de beslissing op bezwaar van 12 april 2005 vernietigd. Naar aanleiding hiervan is het thans bestreden besluit genomen.

   Gezien de uitspraak heeft het geding nog uitsluitend betrekking op de vraag of verweerder handhavend moet optreden tegen de uitbreiding van de loods en de in die uitbreiding plaatsvindende activiteiten.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.1.    Verweerder acht handhavend optreden tegen de feitelijke aanwezigheid van de uitbreiding van de loods, zonder dat daarin activiteiten plaatsvinden, onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.4.2.    De Afdeling overweegt dat het in ieder geval vanaf haar uitspraak van 4 januari 2006, in zaak no. 200503750/1, voor betrokkenen vaststaat dat er sprake is van een overtreding van de Wet milieubeheer waartegen verweerder in beginsel dient op te treden. Desondanks zijn door de drijver van de inrichting geen effectieve stappen gezet om deze overtreding te beëindigen. Weliswaar is op 10 augustus 2006 een aanvraag om een milieuvergunning ingediend, maar een mogelijke verlening van die vergunning zal de overtreding, zo heeft verweerder ter zitting opgemerkt, niet beëindigen. In dit verband heeft verweerder erop gewezen dat de gevraagde vergunning onder meer ziet op het bouwen van nieuwe bouwwerk(en), waarvoor een bouwvergunning vereist is. Deze bouwvergunning zal volgens verweerder niet worden verleend vanwege strijd met het bestemmingsplan. Dit brengt mee dat de gevraagde vergunning op grond van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet in werking zal treden. Andere stappen zijn niet gezet: een op legalisatie van de uitbreiding toegespitste milieuvergunning is niet gevraagd, en evenmin is gepoogd om met het vragen van een verklaring in de zin van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer de enkele aanwezigheid van de uitbreiding te legaliseren.

   Gezien het voorgaande bestond voor verweerder geen aanwijzing dat de overtreding van de Wet milieubeheer zal worden beëindigd. Dit mede in aanmerking genomen acht de Afdeling de motivering van verweerder dat het enkel aanwezig zijn van de - blijkens de stukken zeer forse - uitbreiding van de loods geen hinder veroorzaakt onvoldoende voor de conclusie dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding met de te dienen belangen. Het bestreden besluit is in zoverre, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ondeugdelijk gemotiveerd.

2.5.    Verder blijkt uit de stukken dat in de uitbreiding van de loods activiteiten plaatsvinden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld voornemens te zijn daartegen handhavend op te treden.

   De activiteiten in de uitbreiding van de loods zijn in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Gezien het bestreden besluit acht verweerder geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te zien van handhavend optreden met betrekking tot deze overtreding. Verweerder heeft in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet gemotiveerd waarom desondanks bij het bestreden besluit niet is besloten tot handhavend optreden, maar slechts is aangekondigd dat daarvoor stappen zullen worden gezet.

2.6.    Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het uitblijven van een besluit, en voor het overige gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende van 8 januari 2007, kenmerk 100348;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heeze-Leende aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Heeze-Leende aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma     w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

262-468.