Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
200701381/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeleving trauma / limitatieve opsomming

Paragraaf C1/4.4.2.2 van de Vc 2000 bevat een limitatieve opsomming van gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot verblijfsaanvaarding. De herbeleving van een trauma behoort daartoe niet. Niet in geschil dat de gebeurtenissen die de vreemdelingen in 1995 hebben meegemaakt, op zichzelf onder het traumatabeleid vallen. De vreemdelingen hebben daarin echter geen aanleiding gezien het land van herkomst te verlaten, maar hebben dat verlaten naar aanleiding van gebeurtenissen in 2000. Evenmin is in geschil dat deze laatste gebeurtenissen niet onder het traumatabeleid vallen. Nu de reden voor vertrek uit het land van herkomst niet is gelegen in de traumatiserende gebeurtenissen in 1995 en de herbeleving van een trauma niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van gebeurtenissen, heeft de minister het traumatabeleid terecht niet van toepassing geacht. Volgens paragraaf C1/4.4.2.4 van de Vc 2000 kunnen gevallen waarin de vreemdeling dusdanig individuele humanitaire omstandigheden aanvoert dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Volgens paragraaf C1/4.4.1 gaat het daarbij om iets anders dan traumata. Gelet daarop heeft de minister zich dan ook terecht op het standpunt gesteld, dat de herbeleving van een trauma daar niet onder valt. Evenmin is de herbeleving van een trauma een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, aangezien daardoor de limitatieve opsomming als bedoeld in het beleid zou worden uitgebreid. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de minister nader had dienen te onderzoeken of de herbeleving van een trauma aanleiding kan vormen om een vergunning op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 te verlenen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/380
Ars Aequi RV20070006 met annotatie van R.J.A. Bruin

Uitspraak

200701381/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/46479 en 05/46480 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 25 januari 2007 in de gedingen tussen:

[de vreemdelingen], mede ten behoeve van hun minderjarige zoon,

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 21 september 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van [de vreemdelingen], mede ten behoeve van hun minderjarige zoon (hierna: de vreemdelingen), om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 januari 2007, verzonden op 26 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de Minister van Justitie nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2007 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.2. De wijze waarop de staatssecretaris van deze bevoegdheid gebruik pleegt te maken, was, ten tijde van belang, uiteengezet in paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Voor zover thans van belang ziet het zogenoemde traumatabeleid op gevallen waarin de persoonlijke beleving van bepaalde – limitatief opgesomde – gebeurtenissen voor een asielzoeker zodanig traumatiserend is geweest, dat van hem of haar niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De betrokken asielzoeker zal de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst.

Ook klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, kunnen aanleiding zijn tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

2.3. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan het traumatabeleid heeft gegeven door te overwegen dat hij nader had moeten onderzoeken of de herbeleving van de gebeurtenissen in 1995 door de gebeurtenissen in 2000 aanleiding kan vormen om, op grond van dan wel in afwijking van het traumatabeleid of het overige beleid opgenomen onder de c-grond, een vergunning te verlenen. De staatssecretaris betoogt dat de traumatiserende gebeurtenissen in 1995 niet de aanleiding zijn geweest voor vertrek uit het land van herkomst, de herbeleving van een trauma niet valt onder de limitatief opgesomde gebeurtenissen en dat met het beleid inzake klemmende redenen van humanitaire aard geen verruiming van het traumatabeleid is beoogd, zodat de herbeleving van een trauma niet tot een geslaagd beroep op dat beleid kan leiden. Voorts betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank heeft miskend dat afwijking van de limitatieve opsomming van gebeurtenissen zou neerkomen op een substantiële wijziging van het beleid, waarvoor artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geen grondslag biedt.

2.3.1. Paragraaf C1/4.4.2.2 van de Vc 2000 bevat een limitatieve opsomming van gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot verblijfsaanvaarding. De herbeleving van een trauma behoort daartoe niet. Niet in geschil dat de gebeurtenissen die de vreemdelingen in 1995 hebben meegemaakt, op zichzelf onder het traumatabeleid vallen. De vreemdelingen hebben daarin echter geen aanleiding gezien het land van herkomst te verlaten, maar hebben dat verlaten naar aanleiding van gebeurtenissen in 2000. Evenmin is in geschil dat deze laatste gebeurtenissen niet onder het traumatabeleid vallen. Nu de reden voor vertrek uit het land van herkomst niet is gelegen in de traumatiserende gebeurtenissen in 1995 en de herbeleving van een trauma niet is opgenomen in de limitatieve opsomming van gebeurtenissen, heeft de minister het traumatabeleid terecht niet van toepassing geacht.

Volgens paragraaf C1/4.4.2.4 van de Vc 2000 kunnen gevallen waarin de vreemdeling dusdanig individuele humanitaire omstandigheden aanvoert dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Volgens paragraaf C1/4.4.1 gaat het daarbij om iets anders dan traumata. Gelet daarop heeft de minister zich dan ook terecht op het standpunt gesteld, dat de herbeleving van een trauma daar niet onder valt.

Evenmin is de herbeleving van een trauma een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, aangezien daardoor de limitatieve opsomming als bedoeld in het beleid zou worden uitgebreid.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de minister nader had dienen te onderzoeken of de herbeleving van een trauma aanleiding kan vormen om een vergunning op de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000 te verlenen.

2.4. De grieven slagen. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het hiervoor overwogene, de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 21 september 2005 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 25 januari 2007 in de zaken nos. AWB 05/46479 en 05/46480;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

307.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak