Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
200701707/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorzitting zonder gemachtigde

De rechtbank heeft overwogen dat de gemachtige op de dag van ontvangst van de uitnodiging voor de hoorzitting per brief heeft laten weten evenals zijn enige kantoorgenoot verhinderd te zijn wegens een cursus en vanwege de korte termijn niet meer voor vervanging te kunnen zorgen en dat dientengevolge de hoorzitting had moeten worden uitgesteld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen brengt artikel 7:2 gelezen in samenhang met artikel 2:1 van de Awb niet met zich mee dat onder dergelijke omstandigheden uitstel van de hoorzitting moet worden verleend. Daarbij heeft de Afdeling mede in aanmerking genomen dat onbestreden is gesteld dat de vreemdeling tijdens de hoorzitting niet kenbaar heeft gemaakt bezwaar te hebben tegen het houden van de hoorzitting zonder de aanwezigheid van de gemachtigde of tegen de gang van zaken tijdens de hoorzitting. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het besluit van 2 oktober 2006 is genomen in strijd met de bovengenoemde artikelen van de Awb. Dat dit besluit een ongewenstverklaring betreft kan daaraan niet afdoen.

De grieven treffen reeds hierom doel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701707/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/48344 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 1 februari 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 1 februari 2007, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 8 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de Minister van Justitie opgedragen de vreemdeling zo spoedig mogelijk terug te halen naar Nederland teneinde hem hier te lande in bijzijn van zijn gemachtigde op zijn bezwaar te horen en bepaald dat deze minister binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris betoogt in de grieven 1 tot en met 3, in samenhang gelezen en samengevat weergegeven, onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, doordat de vreemdeling is gehoord zonder de aanwezigheid van zijn gemachtigde, het besluit van 2 oktober 2006 is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat de vreemdeling voldoende gelegenheid heeft gehad tot het indienen van een reactie op het verslag van de hoorzitting en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Bovendien, zo stelt de staatssecretaris, heeft de vreemdeling tijdens de hoorzitting verklaard voldoende gelegenheid te hebben gehad om de zaak toe te lichten en niet geklaagd over de afwezigheid van zijn gemachtigde.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de gemachtige op de dag van ontvangst van de uitnodiging voor de hoorzitting per brief heeft laten weten evenals zijn enige kantoorgenoot verhinderd te zijn wegens een cursus en vanwege de korte termijn niet meer voor vervanging te kunnen zorgen en dat dientengevolge de hoorzitting had moeten worden uitgesteld.

2.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen brengt artikel 7:2 gelezen in samenhang met artikel 2:1 van de Awb niet met zich mee dat onder dergelijke omstandigheden uitstel van de hoorzitting moet worden verleend. Daarbij heeft de Afdeling mede in aanmerking genomen dat onbestreden is gesteld dat de vreemdeling tijdens de hoorzitting niet kenbaar heeft gemaakt bezwaar te hebben tegen het houden van de hoorzitting zonder de aanwezigheid van de gemachtigde of tegen de gang van zaken tijdens de hoorzitting. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het besluit van 2 oktober 2006 is genomen in strijd met de bovengenoemde artikelen van de Awb. Dat dit besluit een ongewenstverklaring betreft kan daaraan niet afdoen.

De grieven treffen reeds hierom doel.

2.4. Aan grief 4 komt geen zelfstandige betekenis toe.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 1 februari 2007 in zaak no. AWB 06/48344;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Bossmann

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007

314

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak