Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
200700320/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank moet afwijzing verzoek om heropening nader motiveren

Appellant klaagt onder meer dat de rechtbank in de na sluiting van het onderzoek ter zitting overgelegde stukken, waaruit blijkt dat hij terzake van een misdrijf nimmer een transactieaanbod heeft aanvaard, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het verzoek om heropening van het onderzoek te honoreren. Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank, indien zij van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, dat heropenen. Dit is een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat en waarvan de toepassing doorgaans geen nadere motivering behoeft. Echter, gelet op de aard, inhoud en strekking van de door appellant aan het verzoek om heropening ten grondslag gelegde stukken, had de rechtbank dat verzoek in dit geval niet zonder nadere motivering mogen afwijzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/378
AB 2007, 358 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700320/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/13108 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 18 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 december 2006, verzonden op 19 december 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 januari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Appellant klaagt onder meer dat de rechtbank in de na sluiting van het onderzoek ter zitting overgelegde stukken, waaruit blijkt dat hij terzake van een misdrijf nimmer een transactieaanbod heeft aanvaard, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het verzoek om heropening van het onderzoek te honoreren.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank, indien zij van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, dat heropenen. Dit is een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat en waarvan de toepassing doorgaans geen nadere motivering behoeft. Echter, gelet op de aard, inhoud en strekking van de door appellant aan het verzoek om heropening ten grondslag gelegde stukken, had de rechtbank dat verzoek in dit geval niet zonder nadere motivering mogen afwijzen. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige grieven geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 18 december 2006 in zaak no. AWB 06/13108;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.J.E. Horstink von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2007

284-534.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak