Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
200702187/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang

Bij uitspraak van 8 februari 2007 in zaak nos. AWB 06/47733 en 06/50994 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, omdat - samengevat weergegeven - de minister de aanvraag van 15 augustus 2003 ten onrechte als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft opgevat. Bij uitspraak van heden in zaak no. 200702180/1 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, deze uitspraak bevestigd.

Gelet op die uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank had de vreemdeling geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft dat beroep derhalve ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702187/1.

Datum uitspraak: 28 juni 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/32784 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 8 februari 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1.Procesverloop

Bij uitspraak van 8 februari 2007, verzonden op 28 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ingestelde beroep tegen het niet tijdig door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) nemen van een besluit gegrond verklaard en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 april 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

2.1.1. Bij brief van 15 augustus 2003 heeft de vreemdeling de minister verzocht in zijn verblijf te berusten, zonodig met gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Bij reactie van 18 november 2003 heeft de minister de vreemdeling medegedeeld dat, voor zover thans van belang, nu de beslissing tot afwijzing van de aanvraag om toelating als vluchteling in rechte vaststaat, hij geen ruimte aanwezig acht de zaak opnieuw te beoordelen. Bij brief van 24 november 2003 heeft de vreemdeling tegen deze brief bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 februari 2006 heeft de vreemdeling de gronden van dat bezwaarschrift aangevoerd en daarbij onder meer gesteld dat hij met zijn brief van 15 augustus 2003 heeft beoogd een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de discretionaire bevoegdheid in te dienen.

Bij brief van 9 maart 2006 heeft de minister de vreemdeling medegedeeld dat, voor zover thans van belang, hij de brief van 18 november 2003 intrekt, de brief van 15 augustus 2003 als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opvat en inhoudelijk op die aanvraag zal beslissen. Bij brief van 3 juli 2006 heeft de minister het bezwaarschrift van 24 november 2003 ter verdere behandeling als beroepschrift naar de rechtbank doorgezonden.

Bij besluit van 12 september 2006 heeft de minister de aanvraag van 15 augustus 2003 afgewezen. Bij uitspraak van 8 februari 2007 in zaak nos. AWB 06/47733 en 06/50994 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, omdat - samengevat weergegeven - de minister de aanvraag van 15 augustus 2003 ten onrechte als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft opgevat. Bij uitspraak van heden in zaak no. 200702180/1 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, deze uitspraak bevestigd.

2.1.2. Gelet op die uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank had de vreemdeling geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft dat beroep derhalve ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De grief behoeft geen bespreking.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag niet-ontvankelijk verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 8 februari 2007 in zaak no. AWB 06/32784;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak