Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608450/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van de indeling van de begane grond van het perceel [5 locaties] te Amsterdam (hierna: het perceel) ten behoeve van een sportschool en het plaatsen van vier airco-units en twee lichtkoepels op de bestaande uitbouw van het achtererf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608450/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3287 van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2006 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van de indeling van de begane grond van het perceel [5 locaties] te Amsterdam (hierna: het perceel) ten behoeve van een sportschool en het plaatsen van vier airco-units en twee lichtkoepels op de bestaande uitbouw van het achtererf.

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur het door onder meer [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2006, verzonden op 19 oktober 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 20 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 januari 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. F.E.W. van den Broek, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn [wederpartij], als partij, in persoon en [partij], daar gehoord. Vergunninghouders zijn zonder kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "De Pijp", zoals dit luidt na de derde herziening (hierna: het bestemmingsplan).

   Ingevolge de eerste tot en met zevende uitwerking van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Meergezinshuizen (A5)" en de bestemming "Tuinen en erven 2 (T2)".

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de additionele planvoorschriften, uitwerking 1 tot en met 7, van het bestemmingsplan (hierna: de additionele voorschriften) zijn de gronden op de kaart bestemd voor "Meergezinshuizen (A5)" aangewezen voor meergezinshuizen boven niet-woonfuncties met uitzondering van horeca met inbegrip van daarbij behorende bergingen en andere nevenruimten.

   Ingevolge het tweede lid van die bepaling mogen op de in het eerste lid genoemde gronden slechts gebouwen ten dienste van de in het eerste lid genoemde bestemming worden opgericht en in stand gehouden, een en ander voor wat betreft bedrijven met inachtneming van het bepaalde in artikel 13.

   In artikel 1, onder w, van het bestemmingsplan is bepaald dat onder bedrijf wordt verstaan een in de als bijlage bij deze voorschriften opgenomen Indicatieve Bedrijvenlijst als zodanig vermeld bedrijf.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mag op de plankaart met AA5 aangegeven gronden slechts bebouwing worden opgericht en mogen slechts onbebouwde gronden en bebouwing worden gebruikt ten behoeve van bedrijven die in de Indicatieve Bedrijvenlijst vallen onder categorieën I en II.

   Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, gehoord de inspecteur van de Volksgezondheid en voor de hygiëne van het milieu, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor het oprichten van bebouwing en het gebruik van onbebouwde gronden en bebouwingen ten behoeve van een bedrijf dat niet op de genoemde Indicatieve Bedrijvenlijst voorkomt en in vergelijking met bedrijven die vallen onder de toegelaten categorieën geen blijvende, onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefmilieu door hinder en/of gevaar.

   Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 20 van deze voorschriften en bijzondere bepalingen het bestemmingsplan te wijzigen, in dier voege dat aan de Indicatieve Bedrijvenlijst bedrijven en bedrijfssoorten kunnen worden toegevoegd.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de additionele voorschriften zijn de gronden op de kaart bestemd voor "Tuinen en erven (T2)" aangewezen voor tuinen en erven met inbegrip van daarbij behorende voetpaden.

   Ingevolge het vierde lid van die bepaling, voor zover thans van belang, mogen de in het eerste lid genoemde gronden bouwwerken in stand gehouden worden ten behoeve van de in de aangrenzende hoofdbebouwing toegestane bestemming, mits de bebouwing reeds op de eerste dag van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan bestond of kon worden opgericht krachtens een eerder verleende bouwvergunning of nog te verlenen bouwvergunning.

2.2.    Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat vestiging van een sportschool in overeenstemming is met de bestemming "Meergezinshuizen (A5)". Daartoe betoogt het dagelijks bestuur onder meer dat het begrip "niet-woonfunctie" ruim uitgelegd dient te worden, zodat daaronder ook bedrijven kunnen worden begrepen. Volgens het dagelijks bestuur volgt uit de opbouw en indeling van de Indicatieve Bedrijvenlijst dat onder ‘bedrijven’ als bedoeld in artikel 1, onder w, van het bestemmingsplan uitsluitend bedrijven uit de ambachtelijke en licht-industriële bedrijfstak worden verstaan. Een sportschool kan niet worden aangemerkt als behorende tot de categorie ambachtelijke of licht-industriële bedrijfstak en is derhalve geen bedrijf als bedoeld in het bestemmingsplan, aldus het dagelijks bestuur.

2.2.1.    Dit betoog slaagt niet. Naar het dagelijks bestuur ter zitting heeft erkend, heeft de sportschool een bedrijfsmatig karakter. Nu op het perceel ingevolge artikel 4 van de additionele voorschriften, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, van het bestemmingsplan uitsluitend bedrijven die in de Indicatieve Bedrijvenlijst vallen onder de categorieën I en II zijn toegestaan en een sportschool op de Indicatieve Bedrijvenlijst niet is aangemerkt als een bedrijf in die categorieën, is gebruik van het pand ten behoeve van een sportschool dan ook in strijd met het bestemmingsplan.  Anders dan het dagelijks bestuur betoogt, bestaat er geen grond voor het oordeel dat op gronden met de bestemming "Meergezinshuizen (A5)" ook bedrijven zijn toegestaan die niet zijn opgenomen in de Indicatieve Bedrijvenlijst. Het bestemmingsplan voorziet immers in de mogelijkheid om bedrijven die niet op de Indicatieve Bedrijvenlijst staan, daaraan toe te voegen. Zo kan het dagelijks bestuur ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan het bestemmingsplan wijzigen, in die zin dat aan de Indicatieve Bedrijvenlijst bedrijven en bedrijfssoorten worden toegevoegd. Voorts kan het dagelijks bestuur op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan vrijstelling verlenen voor het oprichten van bebouwing en het gebruik van bebouwing ten behoeve van een bedrijf dat niet op de Indicatieve Bedrijvenlijst voorkomt, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu door hinder en/of gevaar.

2.3.    De uitbouw staat op gronden met de bestemming "Tuinen en erven (T2)". In beginsel is een uitbouw, waarin een sportschool wordt uitgeoefend, in strijd met artikel 9, eerste lid, van de additionele voorschriften. Nu op gronden bestemd tot "Meergezinshuizen (A5)" een sportschool niet is toegestaan, mag de uitbouw indien deze reeds bestond op de eerste dag van de tervisielegging van het bestemmingsplan dan wel met bouwvergunning is gebouwd, ingevolge het vierde lid van genoemd artikel evenmin worden ingericht ten behoeve van een sportschool.

2.4.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat bouwplan in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel     w.g. Van Heusden

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

163-430.