Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200606443/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de uitbreiding van zijn woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200606443/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/660 van de rechtbank Haarlem van 11 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de uitbreiding van zijn woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 november 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2006, verzonden op 20 juli 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is bij brief van 22 maart 2007 een nader stuk ontvangen van het college. Dit is aan appellant toegezonden.

Bij brief van 16 april 2007 zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2007, waar appellant, in persoon, vertegenwoordigd door mr. N.J. Koene, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Bijleveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Spiegelenburgh" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel deels de bestemming "Eengezinshuizen in half open bebouwing met bijbehorende erven (EHDM)" en deels de bestemming "Voor- of zijtuin, open erf".

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen de hoofdgebouwen uitsluitend worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.

   Ingevolge artikel 25 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn gronden met de bestemming "Voor- of zijtuin, open erf" bestemd voor tuinen met de daarbij behorende "andere bouwwerken" en overigens als toegangspad tot de gebouwen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht.

2.2.    Het college heeft bij besluit van 12 augustus 2004 aan appellant bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor het gedeeltelijk vergroten van de woning op het perceel. Het bouwplan betrof een uitbreiding op de begane grond aan de achter- en zijgevel van de woning. De vrijstelling is verleend omdat het bouwplan niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan, omdat (deels) werd gebouwd op gronden met de bestemming "Voor- of zijtuin, open erf", waarop geen bebouwing is toegestaan, de grens van het bebouwingsvlak werd overschreden en (deels) de toegestane bouwhoogte werd overschreden.

2.3.    Het college heeft in november 2004 geconstateerd dat in afwijking van de bij besluit van 12 augustus 2004 verleende bouwvergunning en vrijstelling werd gebouwd. De woninguitbreiding werd op een grotere oppervlakte gerealiseerd dan was vergund. Het onderhavige bouwplan strekt ter legalisering daarvan.

2.4.    Appellant betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet in afwijking van de vergunning van 12 augustus 2004 heeft gebouwd, omdat de bouw is gerealiseerd conform de na de afgifte van de vergunning ingediende en door het college goedgekeurde constructietekeningen, die volgens appellant als 'revisietekeningen' moeten worden gezien. Appellant wijst in dat verband onder meer op een verklaring van hemzelf en zijn aannemer waaruit volgens appellant blijkt dat bij het afgeven van de constructie-tekeningen en -berekeningen een gemeenteambtenaar uitdrukkelijk is gewezen op de vergroting van het bouwplan. Het college heeft, aldus appellant, derhalve reeds bouwvergunning verleend voor het onderhavige bouwplan, zodat de onderhavige vrijstelling en bouwvergunning niet nodig zijn.

2.4.1.    Bij besluit van 12 augustus 2004 heeft het college bouwvergunning verleend onder de voorwaarde dat binnen veertien dagen  berekeningen en tekeningen van de bouwconstructie ter goedkeuring worden ingediend. De ingediende tekeningen hebben betrekking op de technische constructie van de bouw. Het college ontkent dat de aannemer van appellant bij de indiening van die berekeningen en tekeningen heeft gewezen op de vergroting van het bouwplan. Appellant heeft met de verklaringen van hemzelf en zijn aannemer nog niet aannemelijk gemaakt dat hij of zijn aannemer bij de indiening van die tekeningen het college uitdrukkelijk heeft verzocht om wijziging van de verleende bouwvergunning. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat het college de tekeningen als "revisietekeningen" heeft goedgekeurd. Anders dan in het geval dat aan de orde was in de uitspraak van 1 mei 2002 in zaak no. 200004498/1 (AB 2002, 369), waarnaar appellant heeft verwezen, zijn de gewijzigde bouwtekeningen niet voorzien van een stempel met de tekst "tegen revisie geen bezwaar" dan wel anderszins in die zin door het college geparafeerd. De rechtbank is derhalve terecht en op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat de onderhavige vrijstelling en bouwvergunning nodig zijn. Het betoog faalt.

2.5.    Het onderhavige bouwplan heeft betrekking op een uitbreiding op de begane grond aan de achter- en zijgevel van de woning. Het bouwplan heeft een oppervlakte van 30 m², waarvan 9 m² binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak is gelegen en de resterende 21 m² op de gronden met de bestemming "Voor- of zijtuin, open erf". Het bouwplan is derhalve in strijd met de artikelen 14 en 25 van de planvoorschriften.

2.6.    Het college heeft geweigerd toepassing te geven aan artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Aan de beslissing op bezwaar heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet voldoet aan het beleid dat ter uitvoering van zijn vrijstellingsbevoegdheid is vastgesteld en is vervat in de 'Nota Vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO' (hierna: de nota) en het bijbehorende planologische beleid voor erfbebouwing 'Model 1999 (erfregeling)' (hierna: erfregeling). De erfregeling maakt onderdeel uit van die nota, nu daarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in de nota. Op grond van dit beleid is bij de woning van appellant, met een inhoud van 496 m³ en een oppervlakte van het perceel van 375 m², een maximale erfbebouwing van 40 m² toegestaan. Op het erf is reeds een garage van 18 m². Volgens het college voldoet het bouwplan niet aan de erfregeling, nu het gehele bouwplan als erfbebouwing is aangemerkt, inclusief het gedeelte van het plan dat is gesitueerd binnen het bouwvlak van de woning op het perceel dat is bestemd voor bebouwing in één laag.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beleid dat het college aan zijn beslissing op bezwaar ten grondslag heeft gelegd niet onredelijk of anderszins onrechtmatig is. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat door het trekken van een contour rondom bestaande bebouwing - waarvan de besluitvorming van het college blijk geeft - niet is terug te vinden in de erfregeling. Voorts wordt het beleid, aldus appellant, niet consequent uitgevoerd. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij in hoger beroep onder meer gewezen op een bouwvergunning voor het perceel Oosterduinweg 239 te Bloemendaal. Ook wordt in het beleid het begrip 'erf' anders uitgelegd dan in het bestemmingsplan, zodat sprake is van een inperking ten opzichte van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. Dit maakt het beleid onredelijk, aldus appellant.

2.7.1.    Dit betoog faalt. Uit de van de erfregeling deel uitmakende tekeningen kan worden afgeleid dat de contour van het erf wordt getrokken rondom de bestaande hoofdbebouwing in twee bouwlagen. Volgens de erfregeling omvat het erf de totale onbebouwde oppervlakte van het perceel, inclusief het onbebouwde gedeelte van het bouwvlak. De erfregeling wordt ook als uitgangspunt genomen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen. Deze keuze wordt gemotiveerd door de wens het groene, niet te dicht bebouwde karakter van de bebouwing in de wijk/gemeente zoveel mogelijk te waarborgen.

   Het college heeft erkend dat het ten onrechte bij de verlening van de vergunning van 12 augustus 2004 niet is uitgegaan van voormeld uitgangspunt. Dit betekent niet dat het college de toen gemaakte fout thans moet herhalen. Hetzelfde geldt voor de door appellant genoemde bouwvergunning voor het perceel Oosterduinweg 239 te Bloemendaal die, naar het college heeft erkend, als gevolg van een fout in strijd met het beleid is verleend.

   In de omstandigheid dat de in de nota genoemde erfregeling minder mogelijkheden biedt voor erfbebouwing dan het ter plaatse geldende bestemmingsplan, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het beleid niet kan worden toegepast. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat de erfregeling niet afdoet aan de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het blijft voor appellant immers mogelijk om in overeenstemming met het bestemmingsplan zijn woning uit te breiden binnen het in rechtsoverweging 2.5 genoemd bouwvlak waar nog een ruimte van 9 m² resteert.

   De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat met het oog op de in het kader van artikel 19, derde lid, van de WRO aan het college toegekende beleidsvrijheid er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het in de nota en de erfregeling neergelegde beleid kennelijk onredelijk is.

2.8.    Appellant betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat het belang van het college bij de weigering van de vrijstelling niet opweegt tegen zijn belang bij de verkrijging ervan. Hij beroept zich hierbij tevens op het vertrouwensbeginsel.

2.8.1.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, faalt. Aan de omstandigheid dat het college appellant bij besluit van 12 augustus 2004 bouwvergunning en vrijstelling heeft verleend voor een kleiner bouwplan, heeft hij niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat het college hem de onderhavige vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. Ook overigens is niet gebleken dat het college rechtens te honoreren verwachtingen van appellant heeft genegeerd. De omstandigheid dat appellant het bouwplan inmiddels heeft gerealiseerd en hoge kosten moet maken voor de afbraak daarvan kan evenmin als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, die het college had moeten nopen van het beleid af te wijken.

2.9.    De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO te weigeren.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart     w.g. Klein Nulent

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

218-430.