Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200605050/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de raad van de gemeente Driebergen-Rijsenburg, thans de gemeente Utrechtse Heuvelrug (hierna: de raad), het bestemmingsplan "Lange Dreef" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605050/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1],

2.    [appellant sub 2] en

3.    [appellant sub 3],

allen wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de raad van de gemeente Driebergen-Rijsenburg, thans de gemeente Utrechtse Heuvelrug (hierna: de raad), het bestemmingsplan "Lange Dreef" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 mei 2006, kenmerk 2006REG001584i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 7 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2006, appellant sub 2 bij brief van 24 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2006, en appellant sub 3 bij brief van 21 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 oktober 2006 heeft het gemeentebestuur van Utrechtse Heuvelrug een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 januari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Bij brief van 5 februari 2007 heeft de Afdeling het verzoek van [partij] om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht als partij aan het geding deel te nemen, ingewilligd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar appellante sub 1 in persoon, appellant sub 2 in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellant sub 3 in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad daar gehoord, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, ambtenaar van de gemeente, H. van Oort, projectleider 'Lange Dreef', en drs. R.J. Jonker, extern adviseur, werkzaam bij Grontmij.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in het realiseren van maximaal 250 woningen, enkele maatschappelijke voorzieningen en een kerk. Daarnaast bestaat ruimte voor een viertal standplaatsen voor woonwagens. Verweerder heeft, voor zover hier van belang, het plan goedgekeurd omdat hij geen reden heeft gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Hij stemt in met de weerlegging door de raad van de door appellanten naar voren gebrachte zienswijzen. Appellanten wonen aan de Engweg, de Meenkselaan respectievelijk aan het Zuiderplantsoen in de directe omgeving van het plangebied. Volgens hen heeft verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan verleend.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    Appellant sub 3 heeft als procedureel punt naar voren gebracht dat verweerder zich in zijn besluit wat betreft de luchtkwaliteit heeft beroepen op een rapport van de Grontmij van september 2005 en wat betreft de flora en fauna op een brief van de gemeente aan verweerder van 13 maart 2006, maar dat beide stukken ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen.

   Naar de Afdeling dienaangaande is gebleken bestonden er ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan geen andere onderzoeksresultaten over de aspecten luchtkwaliteit en flora en fauna dan die waren opgenomen in de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan. Het onderzoeksrapport over luchtkwaliteit van de Grontmij is opgesteld op 15 september 2005. Een samenvatting van dit rapport is opgenomen in de plantoelichting van het vastgestelde plan. Een nadere toelichting op het ecologisch onderzoek is eerst op verzoek van verweerder bij brief van 13 maart 2006 door het gemeentebestuur gegeven. Van de kant van de gemeente is zowel in de brief aan de Afdeling van 4 oktober 2006 als ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan en van het goedkeuringsbesluit alle onderzoeksrapporten, waaronder de rapportages luchtkwaliteit en ecologisch onderzoek, ter inzage hebben gelegen. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling niet aannemelijk dat de bij de vaststelling van het plan aanwezige stukken ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen. De Afdeling ziet hierin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het bestemmingsplan niet had mogen goedkeuren. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.4.    Het plan is een globaal bestemmingsplan en kent de bestemmingen "Uit te werken woongebied 1", "Uit te werken woongebied 2" en "Groen". In de plantoelichting is hierover opgenomen dat voor een globale opzet is gekozen omdat de realisatie van het plan over meerdere jaren loopt en bovendien op deze wijze flexibel kan worden ingespeeld op (markt)ontwikkelingen. Op het moment dat de plannen meer zijn uitgekristalliseerd zowel qua inhoud als proces worden ze via het uitwerkingstraject nader ingevuld, waartoe in het moederplan uitwerkingsregels zijn opgenomen met betrekking tot aard en omvang van de bebouwing en inrichting van het woongebied, aldus de plantoelichting.

   Naar aanleiding van het betoog van appellanten sub 1 en 3 dat het plan te globaal is waardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt, overweegt de Afdeling dat de doelstellingen van het plan en de uitwerkingsregels voldoende inzicht bieden in de toekomstige ontwikkeling van het plangebied, als bedoeld in artikel 13 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985.

   Dit betoogt faalt derhalve.

2.5.    Naar aanleiding van de beroepen van appellanten sub 2 en 3, waarin wordt ingegaan op de voorgeschiedenis van het plan en op de in het recente verleden bestaande plannen om het plangebied onbebouwd te laten en als zogenoemde groene long te laten fungeren, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt, zodat deze beroepsgrond van appellant sub 2 en appellant sub 3 faalt.

2.6.    Appellante sub 1 voert aan dat verwezenlijking van het plan tot gevolg heeft dat het recht van overpad verdwijnt dat toegang biedt tot haar agrarische percelen. Zij stelt dat hierdoor de bedrijfsvoering wordt bemoeilijkt en de toezichtfunctie vanuit haar woning op de percelen niet meer mogelijk is.

2.6.1.    Het gemeentebestuur heeft zich in zijn reactie van 4 oktober 2006 op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan er niet aan in de weg staat dat appellante haar gronden kan bereiken. De Afdeling acht dit standpunt juist, aangezien de in het plan opgenomen bestemmingen zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van een ontsluitingsweg naar de agrarische gronden van appellante. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verweerder op deze grond goedkeuring had dienen te onthouden. Overigens is ter zitting van de kant van de raad toegezegd dat de percelen van appellante zullen worden ontsloten. De omstandigheid dat over de precieze locatie van de ontsluitingsweg nog overleg gaande is tussen de raad en appellante brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel.

   Het beroep van appellante sub 1 slaagt in zoverre niet.

2.7.    Appellante sub 1 richt zich in beroep verder tegen de situering van de met het plan mogelijk gemaakte woonwagenstandplaatsen direct naast haar woning en tuin, waardoor zij waardevermindering van haar woning vreest.

2.7.1.    Ingevolge voorschrift 4.2.4, aanhef en onder d, van de planvoorschriften geldt voor de bestemming "Uit te werken woongebied UW1" de uitwerkingsregel dat vier standplaatsen voor woonwagens kunnen worden gerealiseerd. Op de plankaart komen vier gebieden met de bestemming "UW1" voor. De precieze locatie zal onder goedkeuring van verweerder worden vastgesteld in het nog op te stellen uitwerkingsplan op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Appellante kan in het kader van de voorbereiding en totstandkoming van dat besluit haar zienswijze uiten. Mede gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het thans in geschil zijnde plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefomgeving van appellante. Overigens is van de kant van de raad ter zitting meegedeeld dat de woonwagenlocatie is voorzien achter de kerk op een afstand van zeker 50 m van de perceelsgrens van appellante, met welke locatie, zoals ter zitting is gebleken, appellante kan instemmen.

   Deze beroepsgrond faalt.

2.8.    Appellante sub 1 vreest tevens voor waardevermindering van haar woning door de hoogte van de in het plan toegestane bebouwing. Zij acht een hoogte van 12 m het maximum gelet op de bestaande aan het plangebied grenzende bebouwing die lager is dan 12 m.

2.8.1.    Verweerder vindt de bouwhoogte uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar nu zoveel mogelijk is aangesloten bij de hoogte van de reeds bestaande appartementen aan de Lange Dreef.

2.8.2.    Het plangebied ligt in de zuidwesthoek van de kern Driebergen tussen de bestaande bebouwing aan de weg Lange Dreef en het landgoed Dennenburg. Blijkens voorschrift 4.2.4, voor zover hier van belang, voorziet het plan behalve in grondgebonden woningen en maatschappelijke voorzieningen van maximaal twee bouwlagen met kap, in appartementsgebouwen van drie of vier bouwlagen. Blijkens het advies van de StAB komt een gebouw met drie woonlagen overeen met circa 12 m en een gebouw van vier bouwlagen met liftkoker met circa 15 m. In de voorschriften 4.2.4, aanhef en onder o en p, is bepaald dat de appartementen zoveel mogelijk in het noordwestelijk deel van het plangebied dienen te worden gebouwd en dat appartementsgebouwen hoger dan drie bouwlagen niet zijn toegestaan in de rand langs de bufferzone, aan de Dennenburgse kant van de fietsverbinding dwars door het plangebied evenwijdig aan de Lange Dreef. Nu de hogere appartementsgebouwen zoveel mogelijk zullen worden gerealiseerd in de omgeving van de al bestaande appartementen met drie verdiepingen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de effecten van de voorziene bebouwing op de omgeving aanvaardbaar zijn. Wat betreft de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de eigendommen van appellante sub 1, bestaat geen grond voor het oordeel dat een dergelijke waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder daarom van goedkeuring van het plan had moeten afzien.

   Ook deze beroepsgrond faalt.

2.9.    Appellanten vrezen voorts voor aantasting van hun woonomgeving door de beoogde verkeersafwikkeling, met name indien de Lange Dreef en de Engweg alle verkeer uit het plangebied moeten verwerken. Appellante sub 1 en appellant sub 3 hebben daarnaast in dit verband aangevoerd dat huns inziens sprake is van strijd met het Besluit luchtkwaliteit, althans dat twijfel bestaat of de in het plan opgenomen verkeersafwikkeling voldoet aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit.

   De Afdeling overweegt met betrekking tot deze beroepsgronden dat in de plantoelichting is vermeld dat de vier gebieden met de bestemming "UW1" elk een eigen interne ontsluiting krijgen die aansluit op de bestaande hoofdinfrastructuur, zoals de Damhertlaan en de St. Hubertuslaan. Het woongebied zelf wordt evenals het gedeelte van de Lange Dreef dat is gelegen tussen de St. Hubertuslaan en de Damhertlaan, ingericht als 30 km-gebied. De Engweg speelt bij de ontsluiting van het gebied voor autoverkeer geen rol. Ten behoeve van het plan is onderzoek gedaan naar de vraag of het extra verkeer dat door de nieuwe woonwijk zal worden gegenereerd op een goede wijze via het bestaande wegennet kan worden afgewikkeld. De uitkomsten van dit door de Grontmij uitgevoerde onderzoek zijn in het bestemmingsplan neergelegd dan wel als bijlagen bij het bestemmingsplan gevoegd. De conclusie van dit onderzoek is dat het extra verkeer vanuit de nieuwbouwlocatie op goede wijze kan worden afgewikkeld omdat op de geëigende wegen tussen de nieuwbouwlocatie en de Hoofdstraat (Lange Dreef, Damhertlaan dan wel St. Hubertuslaan richting Rijsenburgselaan, Hoofdstraat) voldoende capaciteit aanwezig is om dit extra verkeer te accomoderen. Deze conclusie wordt door de StAB onderschreven, waarbij de StAB er nog op wijst dat uitsluitend sprake zal zijn van bestemmingsverkeer, dat bovendien vrijwel volledig uit personenauto's zal bestaan.

   Ook naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is onderzoek gedaan. De conclusies van dit onderzoek, dat is verricht door Grontmij Cluster midwest, zijn neergelegd in het rapport 'Standaard rapportage Luchtkwaliteit. Luchttoets conform het Besluit luchtkwaliteit' van 15 september 2005. Een samenvatting van dit rapport is opgenomen in de plantoelichting. Geconcludeerd is dat in de huidige situatie noch in 2010 overschrijding plaatsvindt van de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005. Ook volgens de StAB kan worden gesteld dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 aan de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Daartoe is aangegeven dat in dit rapport de juiste waarden als uitgangspunten zijn gehanteerd en dat er geen reden tot twijfel is aan de conclusies in het rapport.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat verweerder zich niet op deze onderzoeken heeft kunnen baseren. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het extra verkeer dat het plan tot gevolg zal hebben, op goede wijze via het bestaande wegennet is af te wikkelen, waardoor de aantasting van de woonomgeving van appellanten beperkt zal blijven en dat het plan geen overschrijding van de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 tot gevolg zal hebben.

   Ook in zoverre zijn de beroepen ongegrond.

2.10.    Appellante sub 1 en appellant sub 3 vrezen verder voor aantasting van de hydrologische waarden van het gebied en voor wateroverlast. Appellante sub 1 is vooral bevreesd voor de gevolgen van het plan voor de bedrijfsvoering van haar agrarische percelen. Appellant sub 3 is het met name te doen om de ecohydrologische waarde van het gebied.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich, gelet op de in overleg met het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden uitgevoerde watertoets, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de waterhuishoudingsaspecten van het plan niet aan goedkeuring ervan in de weg staan. Uit deze watertoets komt immers naar voren dat het plan tot gevolg heeft dat maximaal 5 ha verhard oppervlak aanwezig zal zijn en dat het mogelijk is de benodigde maatregelen te treffen voor een toereikende hemelwaterafvoer en -berging. Concrete maatregelen zullen eerst in het uitwerkingsplan aan de orde komen wanneer over de precieze invulling van het plan meer duidelijkheid bestaat, waartoe in overleg met het hoogheemraadschap een waterhuishoudingsplan zal worden opgesteld. Dit laat onverlet dat de watertoets voldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat concrete maatregelen mogelijk zijn om een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie in het gebied te voorkomen dan wel te compenseren. De Afdeling betrekt bij dit oordeel dat ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften de gronden met de bestemming "Groen" ook zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, en dat van de kant van de raad ter zitting is toegezegd dat rekening zal worden gehouden met het kwelgebied en dat dit in stand blijft. Tevens betrekt de Afdeling bij dit oordeel dat ook de StAB het aannemelijk acht dat wat betreft de waterparagraaf aan de uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.11.    Appellanten sub 2 en sub 3 betogen, samengevat weergegeven, dat verweerder goedkeuring had dienen te onthouden aan het plan omdat als gevolg van het plan de flora en fauna in het gebied en de ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied worden aangetast.

2.11.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plangebied geen deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en dat de basisbescherming zoals die voor EHS-gebieden geldt, niet op het plangebied van toepassing is, dat door de aanleg van een bufferzone tussen het landgoed Dennenburg en de geplande woningbouw die als natuurontwikkelingsgebied wordt ingericht, de aanwezige natuurwaarden voldoende bescherming wordt geboden, dat bij de verwezenlijking van het plan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden meegenomen zodat het plan niet in strijd is met het provinciaal beleid op dit punt en dat de aan te vragen ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet die voor een aantal in het plangebied voorkomende dier- en plantensoorten is vereist, naar verwachting redelijkerwijs zal worden verleend.

2.11.2.    De Afdeling stelt vast dat het plangebied in de zuidwesthoek van de kern Driebergen ligt tussen de bestaande bebouwing aan de Lange Dreef en het landgoed Dennenburg. De gronden in het plangebied hebben op grond van het vorige plan een overwegend agrarische bestemming waarop bebouwing van beperkte omvang is toegestaan, waaronder een kwekerij. Niet in geschil is dat het plangebied geen deel uitmaakt van de EHS. Gelet op de stukken, waaronder het in opdracht van de gemeente door bureau Van den Bijtel uitgevoerde "Ecologisch onderzoek Lange Dreef" van januari 2005 en het deskundigenbericht van de StAB, en gelet op het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat van een onevenredige verstoring of aantasting van de door appellanten genoemde waarden, op grond waarvan verweerder van goedkeuring van het plan had behoren af te zien, geen sprake is. De Afdeling betrekt bij dit oordeel de tussen de uit te werken woongebieden voorziene groene ecologische verbindingszones en vooral de op de plankaart aangegeven 50 meter brede 'groene bufferzone' die is gesitueerd tussen het landgoed Dennenburg en de geprojecteerde bebouwing. Hoewel voor de aanduiding "Natuurontwikkelingsgebied (groene bufferzone)" geen specifieke voorschriften of beperkingen gelden, heeft de raad ter zitting verzekerd dat deze bufferzone zal worden gerealiseerd en dat de gemeente hiertoe alle benodigde gronden in eigendom zal verwerven. Aldus is voldoende gewaarborgd dat deze groene bufferzone daadwerkelijk tot stand komt en kan onder deze omstandigheden, mede gelet op het deskundigenbericht, in redelijkheid op voorhand worden geoordeeld dat de Flora- en Faunawet niet aan uitvoering van het bestemmingsplan in de weg zal staan. Verder is niet in geschil dat in het plan geen sprake is van aaneengesloten bebouwing, zodat enkele zichtlijnen van en naar het landgoed Dennenburg blijven bestaan en valt dit landgoed, dat de belangrijkste reden is voor de cultuurhistorische waarde van het gebied, buiten het plangebied.

   Deze beroepsgronden slagen dan ook niet.

2.12.    Met betrekking tot het betoog van appellant sub 3 ten slotte dat de noodzaak voor woningbouw langs de Lange Dreef is komen te vervallen door onder meer de samenvoeging van enkele gemeenten tot de nieuwe gemeente Utrechtse Heuvelrug, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de basis voor het plan onder meer kan worden gevonden in het Streekplan Utrecht 2005-2015, waarin voor de kern Driebergen de mogelijkheid is opgenomen voor de ontwikkeling van een locatie bij de Lange Dreef voor 250 woningen en dat hierin door de samenvoeging van gemeenten geen verandering is gekomen. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.13.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en evenmin dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd is met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

204