Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200607474/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) appellant een boete opgelegd van € 20.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door de [vreemdelingen], allen van Poolse nationaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 313 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607474/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/5140 van de rechtbank Breda van 31 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) appellant een boete opgelegd van € 20.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door de [vreemdelingen], allen van Poolse nationaliteit.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 december 2006 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. M. Grandiek, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) wordt onder werkgever verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het verbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot:

a. een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd;

b. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, voor zover deze vreemdeling arbeid verricht als zelfstandige;

c. een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, dan wel bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werkzaamheden verricht.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, evenmin van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

   Ingevolge artikel 18 wordt, voor zover thans van belang, het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

   Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

   Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250.                                 Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

   Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals deze ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

   Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

   Volgens de tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 gesteld.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav. Daartoe voert hij aan dat hij alleen [vreemdeling] opdracht heeft gegeven om de werkzaamheden uit te voeren en dat [vreemdeling] zelf hiervoor de vreemdelingen heeft ingeschakeld.

2.2.1.    Blijkens de memorie van toelichting bij de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht, is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende, aldus de memorie van antwoord (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2).

Uit het op ambtseed door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 13 april 2005 blijkt dat de vreemdelingen in het pand aan de [locatie] te [plaats], waarvan appellant mede-eigenaar is, arbeid hebben verricht, bestaande uit renovatiewerkzaamheden, terwijl hiervoor geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Voorts staat vast dat appellant opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden.

   Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris appellant ten onrechte heeft aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stelling van appellant, dat hij de opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden alleen aan [vreemdeling] heeft gegeven en dat hij met de vreemdelingen geen arbeidsrelatie heeft, noch met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden enige bemoeienis heeft gehad, niet tot een ander oordeel leidt. Zoals in het besluit van 22 november 2005 terecht is vermeld, is ook een opdrachtgever die via een tussenpersoon arbeid laat verrichten aan te merken als werkgever in de zin van de Wav.

   Het betoog faalt.

2.3.    Evenzeer faalt de klacht van appellant dat de staatssecretaris de verklaringen die de vreemdelingen tegenover de inspecteurs van de Arbeidsinspectie hebben afgelegd niet zonder nader onderzoek als bewijs van zijn werkgeverschap had mogen gebruiken. Dat de vreemdelingen blijkens door appellant overgelegde latere verklaringen tegenover hem weerspreken dat sprake is geweest van een loontoezegging zijnerzijds, zoals zij eerder tegenover de inspecteurs hebben verklaard, is niet van belang, reeds omdat de Wav geen onderscheid maakt tussen beloonde en onbeloonde arbeid.

2.4.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris, alvorens te concluderen dat appellant het in artikel 2, eerste lid, van de Wav neergelegde verbod heeft overtreden, had behoren te onderzoeken of sprake is van een uitzondering als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Wav.

2.4.1.    In hoger beroep is niet langer in geschil dat de stukken geen enkel concreet aanknopingspunt bevatten voor de conclusie dat sprake is van een uitzondering als door appellant bedoeld. Het was aan appellant om te stellen en aannemelijk te maken dat een zodanige uitzondering van toepassing was. Nu appellant dit heeft nagelaten, kan van een gehoudenheid van de staatssecretaris om nader onderzoek in te stellen geen sprake zijn.

   Het betoog faalt.

2.5.    Appellant klaagt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de aan hem opgelegde boete dient te worden gematigd. Daartoe voert hij aan dat de in de beleidsregels vermelde boete van € 4.000 per overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, indien begaan door een natuurlijk persoon, onevenredig is.

2.5.1.    In een uitspraak van de Afdeling van heden (uitspraak in zaak     no. 200607461/1; ter voorlichting van partijen aangehecht) is overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris bij het vaststellen van de beleidsregels tot een onredelijke beleidsbepaling is gekomen dan wel discriminatoir heeft gehandeld. Er is geen reden daarover in deze zaak anders te oordelen.

   Dat vóór de invoering van de bestuurlijke boete in de Wav de strafrechtelijke boete gemiddeld € 984 bedroeg, biedt evenmin grond voor een ander oordeel. Bij de invoering van de bestuurlijke boete hebben de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal de staatssecretaris uitdrukkelijk verzocht de in het beleid neer te leggen boete te verhogen tot een bedrag van € 4.000 per overtreding, indien begaan door een natuurlijk persoon (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 3, blz. 6 en Kamerstukken I 2004/05, 29 523, C, blz. 2).

   De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, ook overigens terecht geen omstandigheden aanwezig geacht, die aanleiding geven de overeenkomstig de tarieflijst opgelegde boete te matigen.

   De klacht faalt.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk    w.g. Groeneweg

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

32-485.