Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200605802/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2005 heeft de gemeenteraad van Huizen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 november 2005, het bestemmingsplan "Vierde kwadrant" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605802/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2005 heeft de gemeenteraad van Huizen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 november 2005, het bestemmingsplan "Vierde kwadrant" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2006, kenmerk 2006-22208, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2006, en [appellant sub 2] bij brief van 23 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2007, waar appellanten in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.J.P.A.M. van Herpen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Huizen, vertegenwoordigd door H.J. Brasser, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De beroepsgrond van [appellant sub 2], gericht tegen het plandeel met de bestemming "Eengezinshuizen" en de bestemmingen "Tuin I" en "Tuin II", voor zover deze bestemmingen zijn toegekend aan percelen waarop onder de werking van het oude bestemmingsplan eengezinshuizen gebouwd zijn, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Evenmin steunt de in verband met de aanleg van de busbaan naar de Blaricummermeent aangevoerde beroepsgrond, gericht tegen het plandeel met de bestemming "Openbaar groen", voor zover deze bestemming is toegekend aan een perceel dat zich ten zuidwesten van de Simone de Beauvoirlaan en ten oosten van de Aristoteleslaan bevindt, op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellant gestelde omstandigheid dat de naar zijn opvatting nadelige bepalingen van het ontwerp-bestemmingsplan pas bij hem bekend raakten toen hij in september 2005 een negatief advies kreeg van de werkgroep bouwplannen van de gemeente Huizen naar aanleiding van een voorgelegd schetsontwerp voor de verbouwing van zijn woning.

2.2.1.    Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.4.    Het plangebied omvat een gedeelte van de woonwijk Oostermeent, gelegen tussen het Gooimeer aan de noordkant en het open weidegebied aan de oostkant van het plangebied. Het plan is overwegend conserverend van aard.

Formele aspecten

2.5.    [appellant sub 1] heeft als formeel argument aangevoerd dat verweerder er mee heeft ingestemd dat na de bedenkingentermijn door het gemeentebestuur een nieuw argument is ingebracht ten gunste van het opnemen van het plandeel met de bestemming "Eengezinshuizen", voor zover dit betreft een bouwperceel gelegen aan de Anne Franklaan, naast en ten westen van het perceel Anne Franklaan 14, terwijl appellant van verweerder geen nieuwe bedenkingen mocht inbrengen. De brief van het college van burgemeester en wethouders, houdende het nieuwe argument, is volgens appellant pas na verzoek en daags voor de provinciale hoorzitting aan hem verstrekt zodat hij zich om die reden niet goed heeft kunnen voorbereiden.

   Dit betoog mist feitelijke grondslag. De reactie van het gemeentebestuur op de ingebrachte bedenkingen is grotendeels een herhaling van wat reeds in de toelichting op het bestemmingsplan als ruimtelijke motivering voor de kavel aan de Anne Franklaan naar voren is gebracht, en van welke argumentatie appellant voor de hoorzitting van verweerder op de hoogte kon zijn. Voor zover de reactie van het gemeentebestuur het financiële argument ten gunste van de bestemming van de bouwkavel betreft overweegt de Afdeling dat de reactie ingaat op hetgeen [appellant sub 1] in zijn bedenkingen hieromtrent naar voren heeft gebracht en dat het daarmee geen voor het eerst door het gemeentebestuur ingebracht argument betreft.

   Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat hij geen gelegenheid heeft gekregen op de hoorzitting nieuwe bedenkingen in te dienen, overweegt de Afdeling zoals zij eerder gedaan heeft in onder andere haar uitspraak van 24 augustus 2005, no. 200406818/1, dat uit het bepaalde in artikel 27, eerste en derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud), moet worden afgeleid dat de hoorzitting dient ter mondelinge toelichting van de reeds bij verweerder kenbaar gemaakte schriftelijke bedenkingen tegen het ontwerp-plan. Op de hoorzitting kunnen derhalve geen nieuwe bedenkingen naar voren worden gebracht.

Het bouwperceel aan de Anne Franklaan

Het standpunt van appellanten

2.6.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Eengezinshuizen", voor zover dit betreft het perceel gelegen aan de Anne Franklaan, naast en ten westen van het perceel Anne Franklaan 14.

Volgens appellanten zal de bouw van een woning leiden tot onaanvaardbaar verlies aan speelruimte voor de jeugd. Het bouwperceel is niet in overeenstemming met de wens van het gemeentebestuur om de bestaande groene hoofdstructuur zoveel mogelijk te ontzien. Verder voeren appellanten aan dat de aanvankelijk gegeven motivering voor de bestemming van een nieuw bouwperceel is komen te vervallen nu het financiële argument niet meer opgaat en de behoefte aan dergelijke vrijstaande woningbouw is vervallen.

Het standpunt van verweerder

2.7.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Verweerder kan zich verenigen met de reactie van het college op de bedenkingen en heeft de daarin weergegeven standpunten tot de zijne gemaakt.

Vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    Het plandeel heeft de bestemming "Eengezinshuizen" en de aanduiding "IIA". Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is het daarmee bestemd voor woondoeleinden.

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften zijn op en in de grond in verband met de bestemming toelaatbaar:

a) gebouwen;

b) bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

c) tuinen en erven;

d) parkeerplaatsen.

Artikel 4, vierde lid, van de planvoorschriften bepaalt dat er niet meer dan twee bouwlagen met kap mogen worden gebouwd, dat de goothoogte niet meer dan 6 meter mag bedragen en dat de bouwhoogte niet meer dan 11 meter mag zijn. De dakhelling mag niet minder zijn dan 300 en niet meer dan 550. De hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer zijn dan 3 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    De bouw van een extra woning aan de Anne Franklaan brengt een zekere verkleining van de bestaande groenstrook en de speelruimte voor de jeugd met zich mee. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze verkleining beperkt van omvang is en dat de groenstrook en de speelmogelijkheden voor kinderen grotendeels in stand blijven. Niet is gebleken dat gemeentelijk of provinciaal beleid op dit punt aan deze verkleining van de groenstrook in de weg staat. In de toelichting bij dit plandeel geeft de gemeenteraad aan, naast enkele andere ruimtelijke argumenten, dat de opname van deze extra bebouwingsmogelijkheid primair is ingegeven door de noodzaak om alle potentiële bebouwingsmogelijkheden te benutten. Appellanten hebben de stelling dat er geen behoefte aan dergelijke vrijstaande woningbouw bestaat niet onderbouwd. Ook is niet gebleken dat louter financiële motieven de gemeenteraad er toe gebracht hebben deze extra bebouwingsmogelijkheid op te nemen.

2.9.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel.

   De beroepen van appellanten, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Eengezinshuizen", voor zover dit betreft het perceel, gelegen aan de Anne Franklaan, naast en ten westen van het perceel Anne Franklaan 14, zijn ongegrond.

De plandelen "Tuin I" en "Tuin II"

Het standpunt van [appellant sub 1]m

2.10.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Tuin I" en "Tuin II", voor zover het betreft het perceel [locatie].

   Appellant richt zich in beroep tegen het plandeel "Tuin I" omdat de bij de bestemming "Tuin I" horende voorschriften ten onrechte een beperking met zich brengen van de bouwmogelijkheden zoals die onder de werking van het oude bestemmingsplan voor zijn perceel [locatie] bestonden. Zo is ingevolge de nieuwe voorschriften een carport tussen de erfgrens en de zijgevel van de garage/berging van zijn woning niet meer toegestaan. Hij voert verder aan dat de Woningwet niet aan het bouwen van een carport ter plaatse in de weg staat en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden door deze gronden niet de bestemming "Tuin II" te geven, terwijl deze bestemming wel is toegekend aan gronden gelegen tussen de erfgrens en vrijstaande woningen aan de Simone de Beauvoirlaan.

   Appellant richt zich in beroep tegen het plandeel "Tuin II" omdat voor zijn perceel ten onrechte geen maximale nokhoogte is vastgesteld die overeenkomt met de nokhoogte van de reeds aanwezige berging. Appellant stelt voorts dat bij een eventuele uitbreiding van zijn berging de kap op de bestaande berging niet doorgetrokken kan worden over de uitbreiding.

Het standpunt van verweerder

2.11.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat, wat de Anne Franklaan betreft, het noodzakelijk is het vrijstaande karakter van de woningen te waarborgen, waar dit in andere straten binnen het plangebied minder het geval is, zodat in die andere straten wel deels de bestemming "Tuin II" aan gronden naast de woningen toegekend kan worden.

   Wat betreft het plandeel "Tuin II", gelegen op het perceel [locatie] stelt verweerder zich op het standpunt dat de regeling voor de bouwhoogte in het algemeen aanvaardbaar is en dat niet gewenst is om uitsluitend voor dit perceel een afwijkende nokhoogte in het plan op te nemen. Verweerder sluit net als het gemeentebestuur niet uit dat als appellant een bouwaanvraag indient, hij bereid is planologische medewerking te verlenen.

Vaststelling van de feiten

2.12.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.1.    Ingevolge artikel 6 zijn gronden met de bestemming "Tuin I" bestemd voor tuinen en erven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn overkappingen binnen deze bestemming niet toegestaan.

   Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Tuin II" bestemd voor tuinen en erven en voor bij het hoofdgebouw behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Ingevolge het derde lid van dit artikel mag, voor zover hier van belang, de goothoogte van bijgebouwen niet meer zijn dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 3,50 meter. De dakhelling mag niet meer dan 45o bedragen. Ingevolge het zevende lid van dit artikel zijn burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd vrijstelling te verlenen ten behoeve van een bouwhoogte van niet meer dan 4,50 meter.

2.12.2.    Op de gronden van het perceel [locatie] met de bestemming "Tuin I" is een carport aanwezig. Voor deze carport is een bouwvergunning verleend. Op de gronden van dit perceel met de bestemming "Tuin II" is een berging aanwezig. Deze berging heeft een bouwhoogte van 5,20 meter. Ter zitting is door appellant onweersproken gesteld dat deze bouwhoogte tot stand is gekomen in overleg met en op verzoek van de welstandscommissie, die uit welstandsoogpunt een voorkeur had voor het plaatsen van een berging met een kap van de aanwezige hoogte. Niet in geding is dat beide bouwwerken legaal aanwezig zijn.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.    De Afdeling is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden door elders in het plangebied, aan de Simone de Beauvoirlaan, wel de bestemming "Tuin II" toe te kennen aan gronden die gelegen zijn tussen de zijgevel van woningen en de erfgrens en die wijze van bestemmen niet toe te passen op het perceel [locatie]. De Afdeling neemt daarbij in overweging dat, zoals het gemeentebestuur in zijn verslag naar aanleiding van de ingebrachte inspraakreactie op het voorontwerp van het bestemmingsplan naar voren heeft gebracht en ook uit de plankaart blijkt, de zijtuinen van de woningen aan de Simone de Beauvoirlaan anders zijn toebedeeld. De betreffende zijtuinen aan de Simone de Beauvoirlaan zijn aan één zijde 5 meter breed, terwijl de zijtuinen aan de Anne Franklaan aan beide zijden 3 meter breed zijn. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen, waarop verweerder het gelijkheidsbeginsel van toepassing had moeten achten.

2.13.1.    Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de bij de bestemming "Tuin I" horende voorschriften ten onrechte een beperking met zich brengen van de bouwmogelijkheden zoals die onder de werking van het oude bestemmingsplan voor zijn perceel [locatie] bestonden en in de bij de bestemming "Tuin II" horende voorschriften ten onrechte voor zijn perceel geen maximale nokhoogte is vastgesteld die overeenkomt met de nokhoogte van de reeds aanwezige berging overweegt de Afdeling als volgt.

   Vast staat dat de carport in de zijtuin niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 6 van de planvoorschriften en dat de berging niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 7 van de planvoorschriften. Dit betekent dat zowel de berging als de carport onder het overgangsrecht van artikel 21, vijfde lid, van de planvoorschriften, zijn gebracht.    

   De gemeenteraad heeft ter zitting hieromtrent gesteld dat het niet de bedoeling is dat de al opgerichte of met vergunning op te richten bouwwerken door de nieuwe bestemmingsregeling getroffen worden. Met het oog daarop zijn de bouwwerken die niet passen binnen de nieuwe bestemmingsregeling onder het overgangsrecht gebracht. De gemeenteraad heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat op deze wijze in voldoende mate wordt tegemoetgekomen aan de belangen van degenen die een dergelijk bestaand bouwwerk hebben terwijl tegelijkertijd een voor alle percelen gelijke regeling geldt met de meer wenselijke bebouwingsmogelijkheden. Ter zitting is voorts desgevraagd gesteld dat van gemeentewege geen voornemen bestaat de bouwwerken te zullen (doen) verwijderen, daargelaten de vraag of dit mogelijk is.

   De Afdeling overweegt omtrent het voorgaande dat het onder het overgangsrecht brengen van bebouwing aanvaardbaar kan zijn, maar dat hiervoor in ieder geval is vereist dat voldoende aannemelijk is dat deze binnen de planperiode zal worden verwijderd. Hierbij is van belang dat het overgangsrecht is bedoeld om te voorzien in de overbrugging van een tijdelijke situatie. Het brengen van bebouwing onder het overgangsrecht zonder dat deze binnen de planperiode zal worden verwijderd, is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Nu vaststaat dat het niet de bedoeling is dat de carport en de berging worden verwijderd, zijn deze alleen al daarom ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Voor deze bouwwerken dient onder deze omstandigheden in het plan een passend voorschrift te worden opgenomen.

2.13.2.    Ten aanzien van de wens van appellant een uitbreiding van de berging wat betreft bouwhoogte te laten aansluiten op de bestaande bouwhoogte overweegt de Afdeling als volgt.

   Zowel verweerder als de gemeenteraad hebben naar aanleiding van de ingediende bedenkingen en zienswijze van appellant het standpunt ingenomen dat de bereidheid bestaat in de specifieke situatie van appellant met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen voor een hogere bouwhoogte ten behoeve van een uitbreiding van de berging, zodat deze hoogte kan aansluiten op de al bestaande bouwhoogte. Ter zitting is deze bereidheid nog eens nadrukkelijk bevestigd. Nu verweerder en de gemeenteraad het standpunt hebben ingenomen dat in deze specifieke situatie wenselijk is dat een mogelijke uitbreiding van de berging aansluit op de bestaande bouwhoogte, had het in de rede gelegen ook in zoverre een passend voorschrift in het plan op te nemen.

2.13.3.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Tuin I" en "Tuin II", voor zover het betreft het perceel [locatie], niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door deze plandelen goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. De overige bezwaren van appellant behoeven, gelet hierop, geen bespreking.

De Afdeling ziet voorts grond om zelf in zaak te voorzien door goedkeuring te onthouden aan de plandelen met de bestemming "Tuin I" en "Tuin II", voor zover het betreft het perceel [locatie].

Proceskosten

2.14.    Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Eengezinshuizen", de bestemmingen "Tuin I" en "Tuin II", voor zover deze bestemmingen zijn toegekend aan percelen waarop onder de werking van het oude bestemmingsplan eengezinshuizen gebouwd zijn, alsmede de in verband met de aanleg van een busbaan naar de Blaricummermeent aangevoerde beroepsgrond, gericht tegen het plandeel met de bestemming "Openbaar groen", voor zover deze bestemming is toegekend aan een perceel dat zich ten zuidwesten van de Simone de Beauvoirlaan en ten oosten van de Aristoteleslaan bevindt, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 juni 2006, kenmerk 2006-22208, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Tuin I" en "Tuin II", voor zover het betreft het perceel [locatie];

IV.    onthoudt goedkeuring aan de onder III genoemde plandelen;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover het betreft de onder III genoemde plandelen;

VI.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] voor het overige ongegrond;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto     w.g. Bosnjakovic

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

317-547.