Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9295

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608893/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 18 oktober 2006, in zaak no. 200510440/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) van 7 november 2005, no. AWB 05/759 bevestigd. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608893/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2006, in zaak no. 200510440/1.

1.    Procesverloop

Bij uitspraak van 18 oktober 2006, in zaak no. 200510440/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) van 7 november 2005, no. AWB 05/759 bevestigd. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2006 heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2007, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college vertegenwoordigd door mr. L. Opsteen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.    De uitspraak van de rechtbank van 7 november 2005, welke bij de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2006 is bevestigd, heeft betrekking op het besluit van 4 januari 2005, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 8 juni 2004 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het college, onder oplegging van dwangsommen, gelast de bewoning van de op het perceel [locatie] gebouwde woning (hierna: het pand) te staken en gestaakt te houden alsmede de inboedel daaruit te verwijderen en de woning terug te brengen tot garage.

2.3.    Verzoeker baseert zijn verzoek om herziening in de eerste plaats op de omstandigheid dat de raad van de gemeente Uden (hierna: de raad) volgens hem begin oktober 2006 heeft besloten een lijst van zestig illegale woningen in het buitengebied nog eens kritisch door te nemen en daarbij te bezien of die woningen in het kader van de vaststelling van het toekomstige bestemmingsplan voor het gebied alsnog gelegaliseerd kunnen worden. Verzoeker stelt dat hij eerst op 27 november 2006 met dit voornemen van de raad bekend is geworden.

2.4.    Indien het voornemen van de raad tot een nader onderzoek naar illegale woningen eerder bij de Afdeling bekend was geweest had dit niet geleid tot een andere uitspraak, nu deze omstandigheid niet kan leiden tot het oordeel dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar concreet zicht op legalisatie bestond. De door verzoeker aangevoerde omstandigheid voldoet dus niet aan het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, onder c, van de Awb. De vraag of het instellen van het onderzoek door de raad bij verzoeker redelijkerwijs vóór de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2006 bekend had kunnen zijn, behoeft geen bespreking.

2.5.    Verzoeker heeft zijn verzoek om toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb daarnaast gebaseerd op de omstandigheid dat het college bij de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening op 29 juli 2004 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft erkend dat in 1979  aan de broer van verzoeker toestemming is verleend tot bewoning van het pand. Voorts is volgens verzoeker inmiddels komen vast te staan dat het college het pand in het verleden heeft aangemerkt als woning. Daartoe heeft verzoeker een brief van 5 januari 1995 van het college aan de broer van appellant [broer], in verband met aan [broer] verleende bijstand in de vorm van geldlening in verband met een krediethypotheek overgelegd, alsmede een taxatierapport van 14 november 1994, een uittreksel van de kadastrale registratie van 11 november 1994 van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te Eindhoven, een hypotheekakte van 3 februari 1995 en een verklaring van de taxateur M.J. Geerders betreffende een door hem op 13 januari 1987 opgesteld taxatierapport.

2.6.    De Afdeling stelt voorop dat het rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

De Afdeling wijst erop dat het belang van een goede procesorde en het bijzondere karakter van het rechtsmiddel herziening met zich brengen dat bij de beslissing op een verzoek om herziening slechts rekening wordt gehouden met nader gebleken feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak en die de verzoeker in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen.

2.7.    De bedoelde opmerking die het college op 29 juli 2004 in de voorlopige voorzieningprocedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft gemaakt, noch de door verzoeker overgelegde stukken zijn feiten of omstandigheden die niet reeds vóór de uitspraak van 18 oktober 2006 redelijkerwijs aan verzoeker bekend konden zijn, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, onder b, van de Awb.

2.8.    Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen, nu geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Willems

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

218-544