Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200607776/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellant een bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vernieuwen van de voorgevel van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/395

Uitspraak

200607776/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/915 van de rechtbank Zutphen van 29 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd aan appellant een bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vernieuwen van de voorgevel van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2004 herroepen en de bouwaanvraag alsnog buiten behandeling gelaten.

Bij uitspraak van 29 augustus 2006, verzonden op 11 september 2006, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voor zover daarbij de aanvraag om een lichte bouwvergunning buiten behandeling is gesteld, de aanvraag afgewezen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2007, waar het college, vertegenwoordigd door C.P.L. Kapenga, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft op 24 november 2003 een lichte bouwvergunning aangevraagd voor het gedeeltelijk vernieuwen van de voorgevel van een schuur op het perceel.  De voorgevel is een onderdeel van genoemde schuur waarvan, zoals de Afdeling in de uitspraak  van 26 april 2003 in zaak nr. 200205065/1 heeft geoordeeld, de binnenwanden en het dak zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning zijn vernieuwd.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, door het niet tijdig beslissen op zijn bouwaanvraag, van rechtswege een bouwvergunning is verleend.

2.3.    Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, beslissen burgemeester en wethouders binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag voor een lichte bouwvergunning en binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning.

   Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

   Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet, is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid.

2.3.1.     De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid".  Appellant heeft dit ook niet betwist. Bij strijd met het bestemmingsplan is de in het eerste lid genoemde termijn niet van toepassing. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 maart 1998 in zaak nr. H 01.96.0945 (Gst 1988, 7088,11), moet, gelet op de bewoordingen van artikel 46, derde lid, van de Woningwet, worden geoordeeld dat de Woningwet niet voorziet in het tot stand komen van een bouwvergunning van rechtswege waarbij aan het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder c, wordt voorbijgegaan.  Nu het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan is het oordeel van de rechtbank dat geen bouwvergunning van rechtswege is tot stand gekomen juist.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de verandering van de voorgevel van de schuur een reguliere bouwvergunning is vereist.

2.5.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb), voor zover hier van belang, wordt onder bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1° de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie;

2° de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid;

3° het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

   Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Bblb, voor zover hier van belang, is een lichte bouwvergunning vereist voor het bouwen van een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 3, eerste lid, bedoeld bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven kenmerken.

2.6.    Voor de toepasselijkheid van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb moet de term "van niet-ingrijpende aard" niet alleen in bouwkundige zin, maar ook in stedenbouwkundige zin worden opgevat. Bij dit laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijk effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol. Nu het bouwplan betrekking heeft op wijzigingen aan een bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan en voorts uit de bouwtekening blijkt dat het uiterlijk van de voorgevel van de schuur aanmerkelijke wijzigingen ondergaat, waarbij deuropeningen worden toegevoegd, bestaande deuropeningen worden vergroot en het gedeelte dat is uitgevoerd in baksteen wordt uitgebreid ten opzichte van de bestaande situatie, kan niet staande worden gehouden dat sprake is van een verandering van niet ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb. Artikel 5, tweede lid, van het Bblb is dan ook niet van toepassing. Nu evenmin sprake is van een van de andere in artikel 4, 5 en 6 van het Bblb aangewezen bouwwerken waarvoor een lichte bouwvergunning kan worden verleend, is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat voor de wijziging van de voorgevel een reguliere bouwvergunning is vereist.

2.7.    Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de waardevermindering van zijn woning is in dit geding niet van belang nu de rechtbank tot de juiste conclusie is gekomen dat voor het bouwplan een reguliere bouwvergunning is vereist. Dit geldt eveneens voor hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van het agrarisch gebruik van de schuur.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel     w.g. Klein Nulent

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

218-544.