Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200607096/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 393 met annotatie van A.B. Blomberg

Uitspraak

200607096/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 oktober 2006.

Bij brief van 21 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij milieu-adviesbureau Het Groene Schild, en verweerder, vertegenwoordigd door E. van den Akker en ing. A.G. Zantigen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.G.P. van Schaik, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het houden van 1.294 vleeskalveren. Ten opzichte van de eerder voor de inrichting verleende inrichting betekent dit een toename van 296,3 naar 2.156,7 mestvarkeneenheden.

2.2.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikel 3 tot en met 6.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

2.3.    Appellanten betogen dat niet wordt voldaan aan de ingevolge de Wet stankemissie geldende minimum afstanden. Daartoe betogen zij onder meer dat verweerder heeft miskend dat de dichtstbijgelegen woning aan de [locatie] niet tot de veehouderij behoort en dat deze derhalve aangemerkt had moeten worden als stankgevoelig object.

2.3.1.    Vaststaat dat de Wet stankemissie van toepassing zijn op de onderhavige inrichting.

2.3.2.    De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of de woning aan de [locatie] behoort tot de veehouderij waar thans vergunning voor wordt verleend.

   Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de huidige bewoner van de woning aan de [locatie] voorheen eigenaar was van zowel de veehouderij, de onderhavige inrichting, als de woning. Zowel die veehouderij als de woning heeft hij een aantal jaren geleden verkocht aan zijn zoon. Sinds die verkoop is de huidige bewoner daar als huurder blijven wonen. De zoon heeft vervolgens alleen de veehouderij, de stallen, doorverkocht aan een derde, die op zijn buurt die stallen weer heeft verkocht aan vergunninghoudster. De woning aan de [locatie] is in eigendom gebleven van de zoon van de huidige bewoner van de woning. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat de woning tot de onderhavige inrichting behoort. Voor zover vergunninghoudster heeft betoogd dat de huidige bewoner van de woning nog een aantal werkzaamheden ten behoeve van de veehouderij verricht dan wel zal verrichten, overweegt de Afdeling dat dit niet is komen vast te staan. De Afdeling overweegt voorts dat de omstandigheid dat vergunninghoudster het eerste recht van koop op de woning aan de [locatie] heeft, niet tot het oordeel leidt dat de woning bij de veehouderij behoort, nu uitoefening van het voorkeursrecht op zichzelf nog niet tot gevolg heeft dat daardoor de woning tot de inrichting gaat behoren, waar veeleer het gebruik van de woning beslissend is. Bovendien is de koop van die woning afhankelijk van de ten tijde van het bestreden besluit volstrekt onzekere toekomstige gebeurtenis dat de huidige eigenaar het huis wenst te verkopen.

   Gezien voormelde omstandigheden, heeft verweerder de woning ten onrechte aangemerkt als behorende tot de veehouderij en miskend dat de woning moet worden aangemerkt als een voor stank gevoelig object, categorie IV. Nu vaststaat dat niet aan de daarvoor, ingevolge de Wet stankemissie, geldende afstanden wordt voldaan, is de conclusie dat het bestreden besluit, waarbij de gevraagde vergunning is verleend, in strijd is met artikel 3, eerste lid van de Wet stankemissie.

2.4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Een bespreking van de overige beroepsgronden van appellanten kan achterwege blijven.

2.5.    Nu de vergunning op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet stankemissie had moeten worden geweigerd, ziet de Afdeling aanleiding dienovereenkomstig in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 16 augustus 2006, kenmerk nr. 126/2005;

III.    weigert de gevraagde vergunning;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 696,64 (zegge: zeshonderdzesennegentig euro en vierenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Barneveld aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Barneveld aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll     w.g. Blok

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

428