Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200606776/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2006 heeft verweerder aan de naamloze vennootschap "N.V. Irado" (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de op- en overslag van afvalstoffen op het adres Bosland 51 te Bergschenhoek voor een periode van tien jaar. Dit besluit is op 10 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/711
JOM 2007/526
JM 2007/113 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606776/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2006 heeft verweerder aan de naamloze vennootschap "N.V. Irado" (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor de op- en overslag van afvalstoffen op het adres Bosland 51 te Bergschenhoek voor een periode van tien jaar. Dit besluit is op 10 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 september 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2006.

Bij brief van 17 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 februari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. S.D. van Reenen en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Schrijnemaekers-Spätjens en ir. T.A. Soels, zijn verschenen. Voort is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door D.A. van Steenes en dr. ir. W. Soede.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat ziet op de wijziging van het bestemmingsplan voor de herinrichting van het woonwagencentrum aan de Bosland.

    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld, vindt de grond inzake het ten onrechte niet rekening houden met het nieuwe bestemmingsplan wel zijn grondslag in de bedenkingen, omdat deze grond betrekking heeft op de naleefbaarheid van de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften en appellant in zijn bedenkingen heeft aangevoerd dat hij vreest voor geluidhinder. Het beroep is daarom ontvankelijk.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellant vreest geluidhinder. Hij voert hiertoe aan dat de in de vergunning toegestane maximale geluidgrenswaarden van 66 en 63 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en avondperiode op de gevels van de woonwagens aan de Bosland te hoog zijn en gesteld hadden moeten worden op maximaal 10 dB boven de maximaal toegestane langtijdgemiddelde geluidniveaus in de milieuvergunning. Voorts stelt hij dat er ten onrechte geen voorschriften over de hoogte van de geluidwal (hierna: wal) en geluidwand in de vergunning zijn opgenomen. Eerder was de wal 4 meter hoog, echter intussen is deze verzakt tot een hoogte van 2,5 meter, aldus appellant. In verband met geluidoverlast betoogt hij dat de wal dient te worden hersteld tot een hoogte van 4 meter. Daarnaast brengt appellant naar voren dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met de mogelijke vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, waarbij het huidige woonwagencentrum opnieuw zal worden ingericht. De positie van de woonwagens zal veranderen en dit kan volgens appellant tot gevolg hebben dat de inrichting niet kan voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden.

2.4.1.    Verweerder heeft ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift 6.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor de vergunning is aangevraagd, ter plaatse van de gevels van de woonwagens aan de Bosland niet meer bedragen dan:

- 43 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 7.00 en 19.00 uur;

- 34 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur.

   Ingevolge voorschrift 6.1.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor de vergunning is aangevraagd, ter plaatse van de gevels van de woonwagens aan de Bosland niet meer bedragen dan:

- 66 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 7.00 en 19.00 uur;

- 63 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur.

2.4.2.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Piekgeluiden worden volgens de Handreiking bij voorkeur bepaald op 10 dB boven de getalswaarde voor de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, doch maximaal op 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Vaststaat dat de in voorschrift 6.1.2 opgelegde maximale geluidgrenswaarden lager zijn dan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze waarden toereikend zijn ter beperking van geluidhinder.

2.4.3.    Ten aanzien van het stellen van voorschriften in de door appellant bedoelde zin ter naleving van de gestelde geluidgrenswaarden overweegt de Afdeling als volgt.

   In het akoestisch rapport behorende bij de aanvraag die deel uitmaakt van de vergunning is bij het vaststellen van de geluidbelasting uitgegaan van een wal met een hoogte van ongeveer 3 meter. Omdat in dit rapport als uitgangspunt is genomen dat de geluidbronnen in de inrichting op 1 meter hoogte liggen, heeft de wal akoestisch gezien een relatieve hoogte van 2 meter, welke hoogte overeenkomt met de huidige hoogte van de wal.

   De Afdeling stelt vast dat het geluidwerende effect van de wal in het akoestisch onderzoek op juiste wijze is gemodelleerd. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu om voorschriften  aan de vergunning te verbinden over de hoogte van de wal en de geluidwand.

   Ten aanzien van een nieuw bestemmingsplan stelt de Afdeling vast dat dit ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld en goedgekeurd. Verweerder heeft dit daarom terecht niet beschouwd als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling die van belang is met het oog op de bescherming van het milieu, als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

2.5.    Appellant vreest, kort samengevat, voor een verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de uitbreiding van de activiteiten en de daarmee gepaard gaande toename van het aantal verkeersbewegingen. Hij betwijfelt of de grenswaarden die in het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn opgenomen in acht zijn genomen en stelt dat verweerder hiernaar onvoldoende onderzoek heeft verricht.

2.5.1.    In artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Besluit) is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit,  geldt voor stikstofdioxide een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

   Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a en b, van het Besluit geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie en een grenswaarde van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.5.2.    Blijkens het bestreden besluit zijn de optredende concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide ten gevolge van het verkeer over de Bosland aan de hand van het CAR-II model (versie 5.0) berekend voor de "huidige situatie" en voor de situatie "na uitbreiding van de activiteiten op de inrichting". Uit de berekeningen blijkt dat in 2005 en 2010 ruimschoots wordt voldaan aan de normen voor de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes. Voorts wordt het maximum aantal dagen dat de norm voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes mag worden overschreden, in acht genomen. In het deskundigenbericht is gesteld dat bij de berekeningen ten onrechte is uitgegaan van een percentage van 1% zwaar verkeer over de Bosland en dat had moeten worden uitgegaan van een percentage van 22,2%, maar dat ook bij dit hogere percentage wordt voldaan aan de in het Besluit gestelde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes.

   Niet aannemelijk is geworden dat deze bevinding onjuist is. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de in het Besluit opgenomen grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes niet in acht heeft genomen.

2.6.    Appellant kan zich niet verenigen met de verruiming van de openingstijden van de inrichting. Hij vreest dat de geluidoverlast hierdoor zal toenemen. Bovendien ziet appellant de noodzaak van de verruiming niet in.

2.6.1.    Ingevolge voorschrift 9.1.11 mag de inrichting geopend zijn op:

- maandag tot en met vrijdag van 7.00 tot 23.00 uur;

- zaterdag van 8.00 tot 17.00 uur.

   Ingevolge voorschrift 9.1.12 mag het afvalbrengstation, dat deel uitmaakt van de inrichting, geopend zijn op:

- maandag tot en met vrijdag van 8.00 tot 17.00 uur;

- zaterdag van 8.00 tot 16.00 uur.

2.6.2.    Niet aangevoerd of gebleken is dat de inrichting niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen. Blijkens de stukken mocht de inrichting op grond van de onderliggende vergunning op werkdagen geopend zijn van 07.00 tot 23.00 uur. Op zaterdag mochten van 09.00 uur tot 14.00 uur afvalstoffen worden aangeboden. Niet aannemelijk is dat vanwege de beperkte verruiming van de openingstijden van het afvalbrengstation op zaterdag verweerder de vergunning had moeten weigeren dan wel nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden.

   Ten aanzien van de noodzaak tot verruiming overweegt de Afdeling dat ingevolge het systeem van de Wet milieubeheer het bevoegd gezag - indien het de aanvraag niet buiten behandeling moet laten - dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. In dat verband moet het bevoegd gezag beoordelen of de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting zoals die is aangevraagd kan veroorzaken, door middel van het stellen van voorschriften en beperkingen in voldoende mate kunnen worden beperkt. Of de aangevraagde activiteiten en daarmee samenhangend de tijdstippen waarop de aanvrager deze wenst uit te oefenen, al dan niet nodig zijn, staat niet ter beoordeling.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma     w.g. Heijerman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

255-537.