Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608104/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608104/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/865 van de rechtbank Roermond van 4 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door J. Zanders en mr. M. Backbier, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter plaatse gold ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar het bestemmingsplan "Buitengebied", waarin aan het onderhavige perceel de bestemming "Agrarisch gebied met zonering (AG-Z)" is toegekend.

   Ingevolge die bestemming mogen op het perceel uitsluitend agrarische hulpgebouwen, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf.

   De bouwaanvraag ziet op een burgerwoning, niet op een agrarische bedrijfswoning.

   Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

   De bouwvergunning kan ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet derhalve slechts worden verleend nadat vrijstelling is verleend.

2.2.    De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen voor de bouw van de burgerwoning in afwijking van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van, zo blijkt uit het overgelegde besluit van de gemeenteraad van Venray van 26 juni 2000, het college, waarbij het college, zo heeft de rechtbank terecht overwogen, beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit de vrijstelling te weigeren is kunnen komen.

2.3.    De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te weigeren.

   In dat verband is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Weliswaar heeft het college bij brief van 9 december 1997 aan appellant bericht in beginsel bereid te zijn aan diens principeverzoek tot het bouwen van een woning op het perceel medewerking te verlenen, doch daarnaast is in die brief tevens aangegeven dat de bouw van een woning ter plaatse in strijd is met het bestemmingsplan, zodat een vrijstellingsprocedure moet worden gevoerd in welk kader een belangenafweging dient plaats te vinden, alsmede toestemming van gedeputeerde staten dient te worden verkregen. Van een ongeclausuleerde toezegging was dan ook geen sprake. Daarbij komt dat appellant eerst op 14 april 2005 een bouwaanvraag voor de woning heeft ingediend, zodat hij er rekening mee heeft moeten houden dat het college bij de beoordeling van de aanvraag aan de in de tussenliggende periode van ruim zeven jaar verkregen nieuwe ruimtelijke inzichten niet voorbij zou kunnen gaan. Zo heeft het college bij de weigering vrijstelling te verlenen rekening moeten houden met het sinds 2001 ontwikkelde waterbeleid, verwoord in de "Stroomgebiedvisie Limburg" en het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg" (hierna: het POL).

   Voorts heeft de rechtbank het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel terecht verworpen. De verwijzing door appellant naar de nabij gelegen nieuwbouwwijk gaat niet op, reeds omdat die wijk is gelegen in een gebied dat in het POL is aangegeven als "Bestaand stads- en dorpsgebied", terwijl het perceel waarop appellant de woning wil realiseren zich bevindt in een gebied dat in het POL is aangeduid als "Ruimte voor veerkrachtige watersystemen"en "Beekdal en laagte", zodat voor beide gebieden verschillend provinciaal beleid geldt.

   Met hetgeen appellant overigens in dit verband heeft aangevoerd heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel geschonden zijn.

2.4.    Verder is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college bij afweging van de in het kader van dit geval in aanmerking te nemen belangen aan de argumenten van appellant geen doorslaggevende betekenis behoefde toe te kennen.

2.5.    Ook hetgeen anderszins door appellant is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat van de rechtbank.

2.6.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de vrijstelling en de gevraagde bouwvergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet heeft geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

202