Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200607908/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) aan de gemeente Roosendaal een vrijstelling en een reguliere bouwvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een gebouw ten behoeve van een Milieu Educatief Centrum ((hierna: het MEC) nabij de kinderboerderij aan de Watermolenberg/Ambrozijnberg te Roosendaal. Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college eveneens een reguliere bouwvergunning voor dit bouwplan verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607908/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/4654 van de rechtbank Breda van 20 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (hierna: het college) aan de gemeente Roosendaal een vrijstelling en een reguliere bouwvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een gebouw ten behoeve van een Milieu Educatief Centrum ((hierna: het MEC) nabij de kinderboerderij aan de Watermolenberg/Ambrozijnberg te Roosendaal. Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college eveneens een reguliere bouwvergunning voor dit bouwplan verleend.

Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft het college, beslissend op het tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaar, het besluit van 19 april 2005, voor zover daarbij een bouwvergunning is verleend, herroepen en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bewaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. F.H.L. Vossen, advocaat te Breda, en het college en de gemeente Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het besluit van het college van 24 oktober 2005 vernietigd, omdat het is genomen in strijd met het Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit 2005. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de inhoudelijke overwegingen in de aangevallen uitspraak.

2.2.    Het bouwplan houdt het tijdelijk plaatsen van een gebouw ten behoeve van het vestigen van het MEC in. Vast staat dat dit plan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Minnebeek" ter plaatse geldende bestemming "groenvoorzieningen". Het college heeft vrijstelling krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend alsmede een reguliere bouwvergunning, waarbij de instandhoudingtermijn op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet is gesteld op vijf jaar.

2.3.    Appellant betoogt dat als gevolg van het plaatsen van het gebouw van het MEC het woon- en leefklimaat ter plaatse zal worden aangetast, onder meer omdat de parkeeroverlast zal toenemen.

2.3.1.    Het college heeft bij de voorbereiding van de verleende vrijstelling en bouwvergunning het aantal parkeerplaatsen berekend waaraan behoefte zal bestaan voor het MEC en de in de omgeving reeds aanwezige kinderboerderij en cafetaria. Aangezien voor de kinderboerderij en het MEC geen hierop toegespitste parkeernorm bestaat, heeft het college aansluiting gezocht bij de in de Bouwverordening vervatte parkeernorm voor wijkcentra- en gebouwen. Volgens de parkeernormen zijn ter plaatse 36,28 parkeerplaatsen nodig. Ter plaatse zijn reeds 39 parkeerplaatsen aanwezig, zodat volgens het college als gevolg van de vestiging van het MEC geen parkeeroverlast zal ontstaan. Ter zitting heeft het college ter onderbouwing van deze aannames cijferoverzichten overgelegd en verklaard dat, nu het MEC daadwerkelijk gevestigd is op de betrokken locatie, de aannames in de praktijk worden bevestigd.

2.3.2.    Appellant betoogt dat feitelijk minder parkeerplaatsen beschikbaar zijn dan de 39 waarvan het college uitgaat. Dat leidt ertoe dat er in het bijzonder bij zijn woning parkeeroverlast en verkeersonveiligheid ontstaat. Ter zitting heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de vestiging van het MEC onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is/zal zijn als de gehele buurt in aanmerking wordt genomen. De rechtbank heeft dan ook  terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt kon stellen dat aan de parkeernormen wordt voldaan. Het betoog faalt.

2.4.    Appellant betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de "Ideeënschets MEC" en het "Vestigingsplan Milieu Educatie Centrum Roosendaal" afdoende blijkt dat alternatieve locaties zijn onderzocht en dat niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor vestiging van het MEC op de thans in geschil zijnde locatie.

2.4.1.    Het college heeft eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat daarvan in dit geval sprake is heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Dit betoog faalt eveneens.

2.5.    Voor zover appellant betoogt dat het college de bouwvergunning niet heeft mogen baseren op een stempeladvies van de welstandscommissie, heeft hij geen belang bij een oordeel hierover, reeds omdat voor het betrokken bouwwerk op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woningwet niet de eis geldt dat het niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand.

2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat de afwijking van het bestemmingsplan niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven.

2.7.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan het college met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast, een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden. Ingevolge het vierde lid is de termijn gelijk aan die, waarvoor vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO is verleend.

   Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro 1985), wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

2.8.    Voorop moet worden gesteld dat uit de tekst van artikel 17 van de WRO en de toelichting daarop blijkt dat de in deze bepaling voorziene vrijstellingsmogelijkheid, met gebruikmaking waarvan zonder tussenkomst van gedeputeerde staten kan worden afgeweken van een geldend bestemmingsplan, slechts open staat in gevallen waarin het gaat om een als tijdelijk beoogde afwijking van dat bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 november 2006 in zaak no. 200601297/1 (AB 2007, 141), biedt de omstandigheid dat de vrijstelling geacht moet worden te zijn verleend voor maximaal vijf jaren op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Teneinde het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO niet mogelijk.

2.8.1.    Uit de beslissing op bezwaar blijkt dat het MEC op korte termijn kon worden gevestigd in kantoorunits die op dat moment beschikbaar waren. Deze kantoorunits zijn reeds een aantal jaren oud en worden derhalve niet geschikt geacht voor permanente vestiging van het MEC. Het college heeft zich voor het tijdelijk karakter van het MEC op het betrokken perceel voorts gebaseerd op de tussen de Stichting MEC en de gemeente Roosendaal gesloten overeenkomst op grond waarvan de gemeente verplicht is een budget voor het MEC te reserveren voor het verstrekken van subsidie. Deze overeenkomst heeft een looptijd van vier jaar. Drie jaar na verlening van de vrijstelling zal een evaluatie van het MEC plaatsvinden en zal, bij een positief resultaat, een definitieve huisvesting worden gezocht. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat deze huisvesting kan worden verwezenlijkt in de schuur bij de kinderboerderij, nu deze schuur in het voorontwerp van het bestemmingsplan "Tolberg" de bestemming "maatschappelijke doeleinden" heeft gekregen. De vestiging van het MEC is in overeenstemming met deze bestemming.

2.8.2.    De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat hiermee onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren voor het aannemen van de tijdelijkheid van het MEC op de onderhavige locatie. De hiervoor bedoelde overeenkomst biedt op zichzelf onvoldoende zekerheid dat de vestiging van het MEC na afloop van de begunstigingstermijn van vijf jaren zal worden beëindigd, nu deze kan worden verlengd tot een tijdstip gelegen na afloop van de termijn. De Afdeling neemt hierbij mede in aanmerking dat drie jaren na verlening van de vrijstelling een evaluatie zal plaatsvinden, waarbij zal worden beoordeeld of het MEC levensvatbaar is en alsdan zal worden onderzocht waar een definitieve vestiging zal plaatsvinden. Vestiging van het MEC in de schuur van de kinderboerderij is, nu de grond waarop de kinderboerderij staat de bestemming maatschappelijke doeleinden zal krijgen wellicht in planologische zin mogelijk, maar daarmee is geen zekerheid omtrent de definitieve situering van het MEC ontstaan. De besluitvorming over de schuur, die thans voor andere doeleinden in gebruik is, heeft nog niet plaatsgevonden. Namens het college is bovendien ter zitting aangegeven dat niet wordt uitgesloten dat naar een andere locatie moet worden gezocht, maar dat het college ervan uitgaat dat tijdig een oplossing wordt gevonden. Dat de raad van de gemeente Roosendaal heeft verklaard dat de grond waarop het MEC thans staat als groenzone moet worden gehandhaafd, biedt evenmin zekerheid.  Dat de tijdelijke huisvesting van het MEC na vijf jaren is afgeschreven, brengt niet met zich dat zij daarna niet meer kan worden gebruikt. Gelet op het vorenstaande is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van het Bro 1985. Het betoog slaagt derhalve.

2.9.    Het hoger beroep is gegrond. Aangezien de aangevallen uitspraak reeds strekt tot vernietiging van het besluit van het college van 24 mei 2005, doch deze vernietiging niet mede steunt op hetgeen hiervoor is overwogen, bevestigt de Afdeling de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop zij rust.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2006 in zaak no. 05/4654 met verbetering van de gronden waarop deze rust;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 669,43 (zegge: zeshonderdnegenenzestig euro en drieënveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Roosendaal aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Roosendaal aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

164