Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608443/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college) geweigerd het bestemmingsplan te wijzigen en appellante vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor een bedrijfsgebouw op het perceel achter [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608443/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/9098 van de

rechtbank 's-Gravenhage van 4 oktober 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college) geweigerd het bestemmingsplan te wijzigen en appellante vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor een bedrijfsgebouw op het perceel achter [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 september 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2006, verzonden op 11 oktober 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 21 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken van het college ontvangen. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.D. Dok, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door J.C. van Eeden en mr. H.J.T. Smits, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan van appellante voorziet in een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van ongeveer 570 m2 en een hoogte van 5,60 meter.

2.2.    Bij brief van 11 februari 2004, ter aanvulling van de bouwaanvraag, heeft appellante aangegeven dat het bedrijfsgebouw zal worden gebruikt voor een grondverzetbedrijf alsmede voor een agrarisch loonbedrijf. Voorts is aangegeven dat de inkomsten van het bedrijf van appellante vooral worden verkregen uit het verhuren van agrarische landbouwvoertuigen, de verhuur ten behoeve van een grondverzetbedrijf alsmede uit het opslaan van goederen als hooi, stro en zaagsel.

2.3.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied", waarin aan het onderhavige perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse D (AD)" is gegeven.

   Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor aan de grond gebonden agrarische bedrijven met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen, en andere bouwwerken, met dien verstande dat - voor zover hier van belang - in beginsel alleen bedrijfsgebouwen, dienstwoningen, andere bouwwerken en andere werken toelaatbaar zijn die noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven en dat de afstand van gebouwen en andere bouwwerken tot de perceelsgrenzen - met uitzondering van de voorste perceelsgrens - ten minste 7 meter zal bedragen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s., van de planvoorschriften wordt onder een aan de grond gebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf dat als zodanig van de grond als productiefactor afhankelijk is, zoals een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s2, van de planvoorschriften wordt onder een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf dat als zodanig niet van de grond als productiefactor afhankelijk is, zoals een varkensmesterij, kalvermesterij, pluimveemesterij, pelsdierfokkerij, champignonkwekerij, alsmede agrarische hulp- en nevenbedrijven.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder t., wordt onder een agrarisch hulpbedrijf verstaan een bedrijf dat uitsluitend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder u., wordt onder een agrarisch nevenbedrijf verstaan een bedrijf, waarbinnen uitsluitend arbeid wordt verricht door bewerking of verwerking, door opslag, vervoer of verhandeling van producten die in het agrarisch bedrijf zijn voortgebracht.

   Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder l., van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op het oprichten van niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven welke geen deel uitmaken van een aan de grond gebonden agrarisch bedrijf, met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, op gronden als bedoeld in artikel 24.

2.4.    Niet in geschil is en ook de Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het hier niet een "aan de grond gebonden agrarisch bedrijf" betreft, zodat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.5.    Anders dan appellante heeft betoogd is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het college op goede gronden heeft geoordeeld dat het bedrijf van appellante niet voldoet aan de hiervoor aangegeven definitie van een "niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf", nu de diensten die appellante verleent, zoals in overweging 2.2. genoemd, niet uitsluitend zijn gericht op agrarische bedrijven.

   Het betoog van appellante in hoger beroep dat haar bedrijf zich voornamelijk bezig houdt met kassenbouw en met grondwerkzaamheden ten behoeve van de tuinbouw dient buiten beschouwing te blijven, nu deze activiteiten niet blijken uit de bouwaanvraag, de bijbehorende brief van 11 februari 2004 en de overige destijds ingediende stukken, zodat het college en vervolgens de rechtbank daarmee geen rekening hebben kunnen houden.

   Voorts voldoet het bouwplan niet aan de minimale afstand van 7 meter die tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens aangehouden dient te worden.

   Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid het bestemmingsplan te wijzigen om uitvoering van het bouwplan mogelijk te maken. De rechtbank is ook tot die conclusie gekomen.

2.6.    Verder is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te weigeren. Daaraan heeft de rechtbank terecht ten grondslag gelegd dat het college hier heeft kunnen vasthouden aan het gemeentelijk beleid zoals dat is opgenomen in de "Structuurvisie Pijnacker 2001" en het provinciaal beleid zoals dat is neergelegd in het streekplan "Zuid-Holland West 2003", waarin het gebied waarvan het onderhavige perceel deel uit maakt is aangewezen als duurzaam glastuinbouwgebied. Activiteiten en ontwikkelingen die een duurzame glastuinbouw kunnen belemmeren zijn in dit gebied ongewenst. Het bouwplan van appellante is derhalve in strijd met het gemeentelijk en provinciaal beleid. Van bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken is niet gebleken. Het feit dat het perceel door zijn beperkte omvang niet geschikt is voor een volwaardig duurzaam glastuinbouwbedrijf heeft het college niet als een bijzondere omstandigheid behoeven aan te merken om van het ter zake gevoerde beleid af te wijken nu dit beleid mede ziet op het bij grotere bedrijven betrekken van percelen waarop zelfstandige exploitatie van een volwaardig glastuinbouwbedrijf niet mogelijk is.

2.7.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de vrijstelling en de gevraagde bouwvergunning terecht, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, heeft geweigerd. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink   w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

202