Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
2000702038/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2005 heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim het bestemmingsplan "Wergea-West Fase 1 en 2 (Grut Palma)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2000702038/2.

Datum uitspraak: 5 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2005 heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim het bestemmingsplan "Wergea-West Fase 1 en 2 (Grut Palma)" vastgesteld.

Bij besluit van 11 april 2006, kenmerk 637813, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Bij uitspraak van 17 november 2006, zaak no. 200604017/3 heeft de Afdeling dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 13 maart 2007, kenmerk 00683399, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 2 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2007, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2007, waar verzoeker is verschenen. Voorts is ter zitting de gemeenteraad gehoord, vertegenwoordigd door mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, en J.M. van Dijk-Wiersma en J.H. Brouwer, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan omvat een woonuitbreiding van Wergea, gelegen aan de zuidwestzijde van het dorp. Het plangebied wordt ten oosten begrensd door de Wergeasterfeart, ten zuiden door de ringvaart van de Greate Mar polder, ten westen door enkele agrarische percelen en ten noorden door het bestaande woongebied.

2.3.    Het verzoek is gericht op schorsing van de goedkeuring van het bestemmingsplan.

   Verzoeker voert in dit verband aan dat ten onrechte het beschermd dorpsgezicht wordt aangetast door de voorziene bebouwing, een voet- en fietsbrug en het aanbrengen van niet-karakteristieke oeverbeschoeiing. Verzoeker stelt voorts dat het uitzicht vanuit het dorp wordt aangetast. Tevens stelt verzoeker dat ten onrechte voor de vogels in het plangebied geen ontheffing van de desbetreffende bepalingen van de Flora- en faunawet is aangevraagd. Ter zitting heeft verzoeker aangevoerd dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

   Verzoeker beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan te voorkomen.

2.4.    Wat betreft de financiële uitvoerbaarheid van het plan overweegt de Voorzitter dat dit niet eerder in de procedure is aangevoerd. Voorts is niet gebleken dat verzoeker dit niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren. Gelet hierop laat de Voorzitter dit aspect wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing.

2.5.    Ingevolge artikel 5, derde lid, onder b, onder 3, dienen de plaats, vorm en toe te passen materialen van een oeverbeschoeiing binnen het beschermd dorpsgezicht in overeenstemming te zijn met het karakter van het beschermd dorpsgezicht. Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat in strijd met dit voorschrift niet-karakteristieke overbeschoeiing zal worden aangebracht, overweegt de Voorzitter dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

2.6.    Wat betreft het deel van het plangebied dat valt binnen de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht stelt de Voorzitter vast dat dit, behoudens de in het plan voorziene voet- en fietsbrug, een conserverend karakter heeft en in zoverre niet voorziet in wijziging van de bestaande situatie.

   Ingevolge  artikel 5, derde lid, sub b, onder 1, van de planvoorschriften bedraagt de maximale hoogte van de voet- en fietsbrug drie meter. Aan de westzijde van het beschermd dorpsgezicht grenst een strook grond, met een breedte variërend van 15 tot 40 meter, die op de plankaart de aanduiding "grasland" heeft. Ingevolge artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het gebruik van deze gronden anders dan voor grasland, voet- en/of fietspaden en ontsluiting van de aangrenzende woningen verboden. Deze strook grond fungeert daarmee als open ruimte tussen de met het plan mogelijk gemaakte woningbouw en het deel van het plangebied dat behoort tot het beschermd dorpsgezicht.

   Vast staat dat de met het plan mogelijk gemaakte woningbouw leidt tot een wijziging van het uitzicht vanuit het dorp. De Voorzitter stelt voorop dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat ook in zoverre sprake is van aantasting van het beschermd dorpsgezicht overweegt de Voorzitter dat de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht in beginsel geen betrekking heeft op het uitzicht vanuit het dorp.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een aantasting van het beschermd dorpsgezicht.

2.7.    Voor zover verzoeker stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend aangezien geen ontheffing is verleend met betrekking tot de in het plangebied aanwezige vogelsoorten, waaronder de Kolgans, overweegt de Voorzitter het volgende. De vraag of voor de uitvoering van het plan een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, komt aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoering van het plan in de weg zou staan. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd biedt hiervoor naar het oordeel van de Voorzitter geen aanleiding.

2.8.    Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007

325-535.