Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200605438/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] op straffe van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gegraven sloten en vijver te verwijderen en het perceel in originele staat terug te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605438/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Schermer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 05/685 van de rechtbank Alkmaar van 14 juni 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] op straffe van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gegraven sloten en vijver te verwijderen en het perceel in originele staat terug te brengen.

Bij besluit van 17 december 2002 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover de last betrekking heeft op de graafwerkzaamheden binnen het agrarisch bebouwingsvak, de last in zoverre herroepen en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 20 januari 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij brief van 12 augustus 2003 heeft het college [wederpartij] in de gelegenheid gesteld alsnog een aanlegvergunning voor de buiten het agrarisch bebouwingsvak gegraven waterpartij aan te vragen en het door hem gemaakte bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2004 heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] tegen het in die brief neergelegde besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken.

Bij uitspraak van 14 juni 2006, verzonden op de volgende dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 augustus 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Bij brief van 28 augustus 2006 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe besluit op het door hem gemaakte bezwaar.

Bij besluit van 25 september 2006 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch dat besluit ingetrokken.

Bij brief van 3 oktober 2006, bij de Raad ingekomen op dezelfde dag, heeft [wederpartij] tegen dat besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2006.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Alkmaar, en D.J. Butter, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J.C. Holtkamp, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het bij het besluit van 23 februari 2005 geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de opgelegde last hoefde te geven, maar er, lettend op inmiddels gewijzigde eigendomsverhoudingen, mee mocht volstaan van het besluit terug te komen.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Het bezwaar van [wederpartij] strekt ertoe dat het besluit, waarbij de last is opgelegd, wordt herroepen. Voorts heeft hij verzocht om vergoeding van de kosten die bij hem in verband met zijn bezwaar zijn opgekomen. Dit in aanmerking nemende, was het college ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

2.1.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.2.    Nu het college alsnog op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar heeft beslist, heeft deze geen belang bij het beroep tegen het uitblijven van zodanig besluit. Het beroep daartegen dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3.    Het bij brief van 28 augustus 2006 door [wederpartij] ingestelde beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 25 september 2006. Diens brieven van 3 en 17 oktober 2006 worden als aanvulling van de beroepsgronden aangemerkt.

2.3.1.    Omdat het college in het besluit van 25 september 2006 wederom onder verwijzing naar gewijzigde eigendomsverhoudingen slechts het besluit van 17 oktober 2002 heeft ingetrokken, is het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond en dient het te worden vernietigd.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze te worden verwezen in de proceskosten die bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep, het beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar en het beroep tegen het besluit van 25 september 2006 zijn opgekomen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het tegen het uitblijven van een besluit op het tegen het besluit van 17 oktober 2002 van het college van burgemeester en wethouders van Schermer gemaakte bezwaar door [wederpartij] ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het door deze tegen het besluit van 25 september 2006 van het college van burgemeester en wethouders van Schermer ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt dat besluit;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schermer tot vergoeding van de bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep, het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen het besluit van 17 oktober 2002 gemaakt bezwaar en het beroep tegen het besluit van 25 september 2006 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1046,50 (zegge duizend zesenveertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Schermer aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Duursma

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

378