Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608750/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 januari 2006, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nieuwerkerk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608750/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], beide gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 januari 2006, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nieuwerkerk" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 oktober 2006,

kenmerk RMW0611819/159/7, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij faxbericht van 4 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en [appellanten sub 2] bij brief van 13 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, beroep ingesteld.

[appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 30 januari 2007.

Bij brief van 6 maart 2007 heeft verweerder te kennen gegeven geen  verweerschrift te zullen indienen.

Bij brief van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Bij faxbericht, ingekomen bij de Raad van State op 5 juni 2007, hebben [appellanten sub 2] hun beroepsgrond met betrekking tot de bedrijfscategorie van [partij] ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2007, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee, en [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door M. de Koeijer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. T. Dreessen, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het beroep van [appellanten sub 1]

Standpunt van appellanten

2.2.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "bedrijfswoning" op de plankaart ter plaatse van hun perceel aan de [locatie 1]. Met deze aanduiding is beoogd de reeds ter plaatse aanwezige bedrijfswoning te legaliseren. Appellanten betogen dat de bedrijfswoning bestaand gebruik betreft en als zodanig bestemd dient te worden. Voorts betogen appellanten dat hun belangen onevenredig worden aangetast door de onthouding van goedkeuring aangezien de bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Verder stellen zij dat de onthouding van goedkeuring in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel aangezien op het bedrijventerrein andere bedrijfswoningen wel als zodanig zijn bestemd. Bovendien is vóór vaststelling van het plan een procedure tot wijziging van het vorige bestemmingsplan krachtens het bepaalde in artikel 11 van de WRO in gang gezet ten behoeve van legalisatie van de bedrijfswoning. Appellanten wijzen erop dat het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan het verzoek tot wijziging van het bestemmingplan indien wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Volgens appellanten wordt daaraan voldaan. Zo heeft akoestisch onderzoek uitgewezen dat op de gevel de waarde van 55 dB(A) niet wordt overschreden. In dit stadium kan niet worden teruggekomen van deze toezegging door te verwijzen naar de geluidshindercirkel van het nabijgelegen bedrijf [appellante sub 2A], aldus appellanten. In dit kader stellen appellanten voorts dat niet is gebleken dat de uitoefening van dit bedrijf in gevaar zal komen door de dienstwoning, aangezien de dienstwoning slechts gedeeltelijk in de geluidscirkel staat.

Standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder stelt dat aan de aanduiding "bedrijfswoning" op de plankaart ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1] geen gedegen belangenafweging ten grondslag ligt. Hij voert hiertoe aan dat het naastgelegen aannemingsbedrijf [appellante sub 2A] op grond van een geldende milieuvergunning beschikt over geluidsruimte afgestemd op de meest dichtbij gelegen woning en er geen onderzoek is gedaan of het projecteren van een bedrijfswoning op kortere afstand negatieve consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 2A] Daar komt bij dat het akoestisch onderzoek zich heeft beperkt tot het wegverkeerlawaai, terwijl de geluidhinder vanwege het aannemingsbedrijf niet is onderzocht. Bovendien staat in de plantoelichting dat in het ten tijde van de vaststelling van het onderhavige plan geldende Streekplan Zeeland 1997 is neergelegd dat terughoudend dient te worden omgegaan met de vestiging van bedrijfswoningen op een bedrijventerrein, gelet op de beperkingen daarvan voor de bedrijfsfuncties op nabij gelegen percelen. Er is evenwel niet gebleken dat dit punt in de afweging is betrokken bij de vaststelling van het besluit, aldus verweerder. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders het verzoek van appellanten om de bestemming van het perceel onder het vorige plan met toepassing van artikel 11 van de WRO te wijzigen, na het volgen van de zienswijzeprocedure afgewezen.  

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder wegens het ontbreken van een zorgvuldige ruimtelijke belangenafweging goedkeuring onthouden aan de aanduiding "bedrijfswoning" op de plankaart ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1].

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Appellanten wonen in een inpandige dienstwoning aan de [locatie 1] op het bedrijventerrein "Nieuwerkerk". Appellanten exploiteren op het perceel een duikcentrum en een persluchtvulstation.

2.4.2.    Op het perceel rust ingevolge het plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B3.1-" met de nadere aanduiding 'bedrijfswoning'.

   Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden -B3.1-" aangewezen gronden mede bestemd voor één bedrijfswoning per bedrijf inclusief daarbij behorende aan- en bijgebouwen, uitsluitend ter plaatse van de opgenomen aanduiding 'bedrijfswoning'.

2.4.3.    In paragraaf 2.1 van de plantoelichting wordt onder verwijzing naar het ten tijde van de vaststelling van het plan geldende Streekplan Zeeland 1997 gesteld dat het onderhavige plan geen nieuwe bedrijfswoningen mogelijk maakt, aangezien met betrekking tot het inpassen van bedrijfswoningen een grote terughoudendheid op zijn plaats is gelet op de beperkingen daarvan voor de bedrijfsfuncties op nabij gelegen percelen.

2.4.4.    In het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 (hierna: het Omgevingsplan) is neergelegd dat bedrijfswoningen zoveel mogelijk worden geweerd van bedrijventerreinen.

2.4.5.    Op grond van het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerrein Nieuwerkerk" rustte op het perceel de bestemming "Bedrijven" met als nadere aanduiding 'zonder dienstwoning'. Ingevolge deze bestemming is het niet toegestaan het bedrijfspand te gebruiken als dienstwoning. Dit bestemmingsplan bevatte een wijzigingsbevoegdheid krachtens het bepaalde in artikel 11 van de WRO op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders bevoegd is de bestemmingsplankaart te wijzigen ten behoeve van de bouw van dienstwoningen, met dien verstande dat per bedrijf ten hoogste één dienstwoning is toegestaan, de geluidsbelasting op de buitengevel de waarde van 55 dB(A) niet zal overschrijden en advies is ingewonnen van een milieudeskundige.    

2.4.6.    Op 19 september 2005 hebben appellanten het college van burgemeester en wethouders verzocht toepassing te geven aan voornoemde wijzigingsbevoegdheid, in die zin dat de bestaande inpandige bedrijfswoning als zodanig wordt bestemd. In de beantwoording van de zienswijze van appellanten door de gemeenteraad wordt gesteld dat de gemeenteraad van oordeel was dat in de aanloop naar de vaststelling van het onderhavige plan aan alle voorwaarden was voldaan om de wijzigingsprocedure te starten. Gelet hierop heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld, in die zin dat op de plankaart ter plaatse van het perceel de aanduiding 'bedrijfswoning' is opgenomen.

2.4.7.    Op het bedrijventerrein "Nieuwerkerk" aan [locatie 2] is het aannemingsbedrijf [appellante sub 2A] gevestigd. Dit bedrijf beschikt over een geldende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. In deze vergunning is, voor zover thans van belang, opgenomen dat tussen 07.00 en 19.00 uur het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden, andere geluidgevoelige bestemmingen en -voor zover binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden of geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn- op enig punt binnen 50 meter van de inrichting niet meer mag bedragen dan 55 dB(A).

   De bedrijfswoning van appellanten staat binnen deze afstand van 50 meter.

2.4.8.    [appellanten sub 2] hebben tegen het ontwerpwijzigingsbesluit op grond van artikel 11 van de WRO een zienswijze ingediend. Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders deze zienswijze gegrond verklaard en het verzoek van appellanten van 19 september 2005 afgewezen.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Bij de beoordeling van de in het voorliggende plan op de plankaart ter plaatse van de [locatie 1] opgenomen aanduiding 'bedrijfswoning' heeft verweerder in redelijkheid kunnen betrekken dat niet is gebleken dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan heeft meegewogen dat het provinciale beleid zich verzet tegen het inpassen van bedrijfswoningen op bedrijventerreinen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Omgevingsplan  eveneens is neergelegd dat bedrijfswoningen zoveel mogelijk dienen te worden geweerd van bedrijventerreinen. In dit kader heeft verweerder voorts belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat het naastgelegen bedrijf [appellante sub 2A] op grond van een geldende milieuvergunning beschikt over geluidsruimte afgestemd op de meest dichtbij gelegen woning en er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of het projecteren van een bedrijfswoning op kortere afstand dan 50 meter van de inrichting negatieve consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 2A]. Verweerder heeft geen overwegende betekenis hoeven hechten aan de omstandigheid dat appellanten reeds jaren in het bedrijfspand wonen, aangezien gebruik in strijd met een geldend bestemmingsplan in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen doet ontstaan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op dit uitgangspunt een uitzondering had moeten maken. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat het gemeentebestuur reeds voor 2004 ervan op de hoogte was dat het bedrijfspand door appellanten werd bewoond.

   Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met in het plangebied aanwezige bedrijfswoningen die als zodanig zijn bestemd in het plan, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. De gevallen die appellanten noemen betreffen immers, anders dan de onderhavige situatie, legaal gerealiseerde bedrijfswoningen.

   Het betoog van appellanten dat de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "bedrijfswoning" op de plankaart ter plaatse van het perceel in strijd is met het vertrouwensbeginsel aangezien tijdens de procedure tot wijziging van het vorige bestemmingsplan op grond van artikel 11 van de WRO van de zijde van het college van burgemeester en wethouders het vertrouwen is gewekt dat de bestaande bedrijfswoning zou worden gelegaliseerd, slaagt niet, aangezien het college het verzoek van appellanten om de bestemming van het perceel onder het vorige plan met toepassing van artikel 11 van de WRO te wijzigen, na het volgen van de zienswijzeprocedure heeft afgewezen.

Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat er geen zorgvuldige ruimtelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden met betrekking tot het opnemen van de aanduiding 'bedrijfswoning' op de plankaart ter plaatse van het perceel.

2.6.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'bedrijfswoning' op de plankaart ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1].

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

Standpunt van appellanten

2.7.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover dit ziet op hun perceel aan [locatie 2]. Dit voorschrift voorziet ten aanzien van de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B3.1-" in een verbod op de opslag en verkoop van motorbrandstoffen (inclusief LPG), met uitzondering van opslag ten behoeve van eigen gebruik. Appellanten betogen dat dit voorschrift hen beperkt in de gebruiksmogelijkheden van hun perceel aangezien het voorschrift het onmogelijk maakt op hun perceel een tankstation te exploiteren. Dit klemt volgens appellanten te meer daar op 4 mei 2001 een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend voor het oprichten van een tankstation op hun perceel. Appellanten betogen voorts dat het aan het voorschrift ten grondslag liggende beleid onredelijk is. Dit beleid is gebaseerd op de notitie "Detailhandel op bedrijventerreinen" van juni 2005 en deze notitie miskent volgens appellanten dat een bedrijventerrein bij uitstek geschikt is als vestigingslocatie voor een bijzondere categorie detailhandel zoals een tankstation. Zij wijzen hierbij op de ligging langs de Rijksweg N59 en de omstandigheid dat een tankstation vrijwel nooit in overeenstemming met het gemeentelijke detailhandelsbeleid in kernwinkelgebieden kan worden gevestigd. Voorts is er volgens appellanten sprake van rechtsongelijkheid nu het plan voorziet in de legalisering van vier illegaal opgerichte detailhandelvestigingen op het bedrijventerrein "Nieuwerkerk". Het standpunt van verweerder dat het Omgevingsplan zich verzet tegen vestiging van een tankstation op het bedrijventerrein "Nieuwerkerk" is volgens appellanten onjuist. Het gemeentelijk beleid dat de vestiging van tankstations op bedrijventerreinen niet toestaat, leidt er volgens appellanten toe dat de vestiging van een tankstation in een kernwinkelgebied wel is toegestaan, hetgeen volgens appellanten in strijd is met het Omgevingsplan.

Standpunt van verweerder

2.8.    Verweerder acht het gemeentelijk beleid inzake detailhandel op bedrijventerreinen niet onredelijk en onderschrijft het standpunt van de gemeenteraad dat tankstations niet worden beschouwd als een vorm van perifere detailhandel en dat voor detailhandel, niet zijnde perifere detailhandel, in beginsel geen ruimte wordt geboden op bedrijventerreinen. Verweerder volgt appellanten niet in hun redenering dat het uitsluiten van tankstations op een bedrijventerrein met zich brengt dat dergelijke nieuwe activiteiten binnen de bebouwde kom zullen plaatsvinden. Verweerder wijst er bovendien op dat de in 2001 verleende milieuvergunning voor het tankstation niet langer rechtsgeldig is nu niet binnen drie jaar een bouwvergunning is verleend.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    Op het bedrijventerrein "Nieuwerkerk" zijn drie perifere detailhandelsvestigingen aanwezig en één overige detailhandelsvestiging. In totaal is 20% van het bedrijventerrein in gebruik door detailhandelsbedrijven.

2.9.2.    Appellanten exploiteren aan [locatie 2] op het bedrijventerrein "Nieuwerkerk" een aannemingsbedrijf.  Op het perceel van appellanten rust de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B3.1-"

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden -B3.1- " aangewezen gronden bestemd voor lokale bedrijven en bedrijfsactiviteiten voor zover deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten voorkomen in de categorie 1 tot en met 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten.

   Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder e, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, in elk geval gerekend het gebruik voor de opslag en verkoop van motorbrandstoffen (inclusief LPG), met uitzondering van opslag ten behoeve van eigen gebruik.

2.9.3.    Ongeveer zes jaar geleden heeft [appellante sub 2A] aanvragen ingediend voor een bouw- en milieuvergunning voor het oprichten van een tankstation aan [locatie 2]. Op 4 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders een milieuvergunning verleend. Het college heeft vervolgens geweigerd een bouwvergunning te verlenen wegens strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan, omdat de beoogde verkoop van brandstof in het tankstation moet worden aangemerkt als detailhandel.

2.9.4.    Ingevolge artikel 8.18, eerste lid en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting van rechtswege indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

2.9.5.    In paragraaf 6.3.2 van het Omgevingsplan staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Bij detailhandel in volumineuze en gevaarlijke goederen is vestiging buiten de bestaande kernwinkelgebieden toegestaan. Het gaat hier om de branches auto's, boten, caravans, brand- en explosiegevaarlijke goederen en bestrijdingsmiddelen. Hiervoor geldt dat vestiging zoveel mogelijk geconcentreerd plaatsvindt in de vier steden en de vier dragende kernen."

2.9.6.    De notitie "Detailhandel op bedrijventerreinen", is vastgesteld op 28 juni 2005. In paragraaf 3.2 van deze notitie staat, voor zover thans van belang, dat het bedrijventerrein in Nieuwerkerk is bedoeld als verplaatsings- of hervestigingslokatie voor lokale bedrijven, die uit planologische of milieuhygiënische overwegingen uit de kern vertrekken. Bovendien biedt het terrein ruimte aan nieuwe lokaal verzorgende bedrijven. Detailhandelsbedrijven zijn in principe niet toegestaan op het bedrijventerrein. Wel is in het voorgaande bestemmingsplan een vrijstellingsregeling opgenomen om de vestiging van detailhandelsbedrijven in volumineuze goederen mogelijk te maken. Daarbij dient te worden aangetoond dat vestiging in de bestaande winkelgebieden niet wenselijk is, aldus de notitie.

   In paragraaf 4.1 van de notitie staat, voor zover thans van belang, dat het niet wenselijk is dat zelfstandige detailhandel, al dan niet perifeer, die zonder bezwaren ook in het centrumgebied kan worden gevestigd, op lokale bedrijventerreinen beslag leggen op de beperkt beschikbare ruimte. Bovendien is er kans op aantasting van de winkelstructuur in de kern. Het is daarom niet wenselijk dat dergelijke bedrijven zich vestigen op de lokale bedrijventerreinen. Wanneer er gegronde redenen zijn om vestiging op een bedrijventerrein toch mogelijk te maken kan hier uiteraard van worden afgeweken. Hierbij kan worden gedacht aan verbetering van milieuhygiëne of ruimtelijke kwaliteit, aldus de notitie.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    Verweerder heeft in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat tankstations niet worden beschouwd als een vorm van perifere detailhandel. Voorts acht de Afdeling het gemeentelijke beleid dat voor detailhandel, niet zijnde perifere detailhandel, in beginsel geen ruimte wordt geboden op bedrijventerreinen, niet onredelijk.  Verweerder heeft appellanten voorts niet hoeven volgen in hun redenering dat het niet toestaan van tankstations op een bedrijventerrein met zich brengt dat dergelijke nieuwe activiteiten dus in een kernwinkelgebied zullen plaatsvinden. De vestiging van een tankstation is immers afhankelijk van de verschillende ruimtelijke belangen die een rol spelen in het gebied van vestiging. De enkele omstandigheid dat geen milieurechtelijke bezwaren bestaan tegen het tankstation, betekent niet dat voldoende reden aanwezig is om planologische medewerking te verlenen aan vestiging van het door appellanten beoogde tankstation. Overigens is niet betwist dat de op 4 mei 2001 voor het oprichten van het tankstation verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer van rechtswege is vervallen. Gelet op een en ander bestaat geen grond voor het oordeel dat het gemeentelijk beleid op dit punt in strijd is met het Omgevingsplan. Voorts heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat het bedrijventerrein Nieuwerkerk niet behoort tot de vier steden en de vier dragende kernen als bedoeld in het Omgevingsplan waar detailhandel zich verder dient te ontwikkelen.

2.11.    Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met de in het plan als zodanig bestemde detailhandelsvestigingen, is de Afdeling  niet gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Het betrof in die situatie immers, anders dan in de onderhavige situatie, bestaande detailhandelsvestigingen.                          

2.12.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan in zoverre.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

12-472.