Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608574/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2005 heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer inzake het door hen uitvoeren van niet vergunde activiteiten in het tankstation aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608574/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2005 heeft verweerder aan appellanten een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer inzake het door hen uitvoeren van niet vergunde activiteiten in het tankstation aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 17 oktober 2006, verzonden op 18 oktober 2006, heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2007, waar appellanten bijgestaan door mr. A. Bakker, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door, mr. M.A.E. in 't Veld, R. van de Kasteele en ing. F.H. Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten voeren aan meldingen te hebben ingediend die door verweerder zijn geaccepteerd. Zij wijzen op een aanvraag om een bouwvergunning voor het uitbreiden van het aantal afleverzuilen en opstelplaatsen, de realisering van afleverautomaten en het vergroten van de afstand tussen de afleverzuilen van LPG en de verkoopruimte. Tevens wijzen zij op de toezending van een tijdsplanning, een zogenoemd CoFiZe-certificaat en tank- en installatiecertificaten voor het vergroten van de vloeistofdichte vloer en het vervangen van de olie- en benzineafscheider. Volgens appellanten betekent dit dat de inrichting in zoverre in overeenstemming met de vigerende vergunning op grond van de Wet milieubeheer in werking is.

2.1.1.    De Afdeling stelt vast dat het aanvragen van bouwvergunningen, de indiening van een tijdschema, een CoFiZe-certificaat en installatiecertificaten, niet als melding in de zin van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt. De stelling van appellanten dat met de verlening van de bouwvergunning en de aanvaarding van genoemde documenten tevens een melding in het kader van de Wet milieubeheer is geaccepteerd gaat reeds daarom niet op. Uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd volgt derhalve niet dat de inrichting in zoverre in overeenstemming met de vergunning in werking is. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.2.    Appellanten voeren subsidiair aan dat, kort weergegeven, de inrichting ten tijde van het dwangsombesluit aan alle vereisten uit de Wet milieubeheer en de bestaande vergunning voldeed. De door verweerder genoemde activiteiten vallen volgens hen onder de reikwijdte van artikel 8.1, derde lid, van deze wet dan wel konden met een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van deze wet worden afgedaan.

   Zij stellen daartoe, onder meer, dat de in de verkoopruimte geplaatste 'bake-off' en 'make-off' apparatuur niet betekent dat het gaat om een inrichting in de zin van categorie 9.1 aanhef en onder d, dan wel in de zin van categorie 18.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

2.2.1.    Verweerder stelt, onder meer, dat in de inrichting een volledige frituurinstallatie, vergelijkbaar met een grote snackbar, een 'Marshall-oven', een bakplaat en een warmhoudbak aanwezig zijn. Tevens is het aantal afleverzuilen uitgebreid waardoor de doorzet van LPG met een onbekende hoeveelheid is toegenomen, zijn zes extra afleverautomaten geplaatst en is de afstand tussen de LPG-afleverzuilen en de verkoopruimte vergroot.

   Volgens verweerder is hiermee een situatie ontstaan die niet meer in overeenstemming is met de vigerende vergunning en die niet door middel van een melding kon worden afgedaan.

2.2.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat zonder de daartoe vereiste vergunning in de verkoopruimte van de onderhavige inrichting voedselbereidingsapparatuur is geplaatst ten behoeve van het bereiden en verstrekken van spijzen voor directe consumptie als bedoeld in categorie 18.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Tevens is zonder de daartoe vereiste vergunning het aantal afleverzuilen uitgebreid waardoor de doorzet van LPG is toegenomen en is de afstand tussen de LPG-afleverzuilen en de verkoopruimte gewijzigd. De inrichting was in zoverre in strijd met artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in werking. Verweerder was derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

   Voor concreet uitzicht op legalisatie is onder meer van belang dat een ontvankelijke vergunningaanvraag is ingediend. Zoals appellanten aan de Afdeling ter zitting hebben bevestigd hebben zij niet ter legalisatie van de feitelijke situatie in de inrichting ten tijde van het bestreden besluit noch nadien een vergunningaanvraag ingediend. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat van handhavend optreden zou behoren te worden afgezien. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen concreet uitzicht op legalisatie op korte termijn bestond en dat een last onder dwangsom diende te worden opgelegd. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3.    Het beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

315