Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200607699/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2006 heeft verweerder aan de naamloze vennootschap "Total Raffinaderij Nederland N.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor de verwerking van ruwe aardolie, gelegen aan de Luxemburgweg 1 te Nieuwdorp. Dit besluit is op 14 september 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607699/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2006 heeft verweerder aan de naamloze vennootschap "Total Raffinaderij Nederland N.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor de verwerking van ruwe aardolie, gelegen aan de Luxemburgweg 1 te Nieuwdorp. Dit besluit is op 14 september 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is nog een stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door P.W.D. Beijaard en A. Goud, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. C.A.R. Wullems, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Vergunningen en meldingen

2.1.    Bij besluit van 23 december 1995 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan vergunninghoudster een revisievergunning verleend voor een aardolieraffinaderij aan de Van Cittershaven te Borssele. In de loop der jaren zijn er voor de inrichting diverse veranderingsvergunningen verleend en meldingen geaccepteerd.

   De verandering waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend heeft betrekking op de uitbreiding van de inrichting met een tweede Waterstof Productie Eenheid, de HPU2.

Algemeen toetsingskader

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Luchtverontreiniging

2.3.    Appellant vreest dat de luchtverontreiniging zal toenemen door de uitbreiding van de inrichting. In dit verband wijst hij op de rookpluim die van de inrichting afkomstig is en neerslaat in de omgeving.

2.3.1.    Verweerder heeft te dien aanzien overwogen dat in de HPU2 aardgas en purgegas als brandstof worden gebruikt, waardoor geen emissies in de vorm van stof, roet en stank zullen optreden. De uitbreiding van de inrichting met een tweede waterstoffabriek heeft volgens verweerder geen invloed op de rookpluim, maar heeft wel extra emissies van NOx en CO2 tot gevolg.

Niet gebleken is dat dit standpunt onjuist is.

   Ter beperking van de emissie van NOx heeft verweerder voorschrift 4.1 aan de vergunning verbonden. Hierin is bepaald dat de emissie van NOx uit emissiepunt HPU2 maximaal 4 kg per uur is, met uitzondering van starten/stoppen. Voorts zijn in de voorschriften 4.2 tot en met 4.4 maatregelen opgenomen om te voorkomen dat de in voorschrift 4.1 opgenomen waarde wordt overschreden dan wel om een mogelijke overschrijding zoveel mogelijk te beperken.

2.3.2.    Ingevolge artikel 13, tweede en derde lid, van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A gelden voor de in de inrichting aanwezige installatie grenswaarden voor NOx van 80 dan wel 110 mg NOx/Nm3, afhankelijk van het feit of aardgas wordt gebruikt dan wel  purgegas.

2.3.3.    Een emissie van 4 kg NOx per uur komt overeen, zo blijkt uit de stukken, met een emissie van 66,67 mg NOx/Nm3, zodat voldaan wordt aan de grenswaarden die volgens het Besluit emissie-eisen stookinstallatie milieubeheer A voor de onderhavige installatie gelden.

   Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorschriften 4.1 tot en met 4.2 toereikend zijn ter bescherming van het milieu.    

2.4.    Verweerder heeft in verband met artikel 8.13a, tweede lid, van de Wet milieubeheer geen maximale vracht voor de emissie van CO2 in de vergunningvoorschriften opgenomen.

2.4.1.    In artikel 8.13a, tweede lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat in een milieuvergunning voor een inrichting waarop de in artikel 16.5, eerste lid, van die wet vervatte verboden betrekking hebben, zoals in casu het geval is, geen emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen mag worden opgenomen, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt.

   De Afdeling is niet aannemelijk geworden dat de uitstoot van CO2 zodanig toeneemt, dat genoemde significante gevolgen zich zullen voordoen. Verweerder heeft daarom terecht geen voorschriften over de emissie van CO2 aan de vergunning verbonden.

Geluidhinder

2.5.        Appellant vreest dat de geluidhinder die hij thans reeds van de inrichting ondervindt, zal toenemen.

2.5.1.    Aan de revisievergunning van 23 december 1995 zijn geluidvoorschriften verbonden. Deze vergunning blijft naast de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning van kracht. De voorschriften uit de vergunning van 1995 moeten worden geacht ook betrekking te hebben op de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting, nu de strekking van die voorschriften zich daar gelet op de aard van de bij de veranderingsvergunning vergunde verandering niet tegen verzetten.

   Niet aannemelijk is geworden dat de stelling van verweerder dat de geluidvoorschriften die aan deze revisievergunning zijn verbonden ook kunnen worden nageleefd na realisatie van de HPU2, onjuist is. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vergunningvoorschrift 6.1, waarin de uitvoering van een akoestisch onderzoek verplicht is gesteld, toereikend is en dat het niet nodig is om nadere geluidvoorschriften aan de vergunning te verbinden.

Lichthinder

2.6.    Appellant vreest voorts voor een toeneming van lichthinder.

2.6.1.    Verweerder heeft hierover opgemerkt dat de uitstraling van licht beperkt blijft tot een aantal armaturen.

2.6.2.    Niet gebleken is dat dit standpunt onjuist is, zodat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu om voorschriften over lichtuitstraling aan de vergunning te verbinden.

Naleving vergunningvoorschriften

2.7.    Voor zover appellant stelt dat de voorschriften die verbonden zijn aan de vigerende vergunningen niet worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

Schade en landschappelijke inpassing

2.8.    Appellant stelt dat zijn gewassen schade hebben geleden als gevolg van de uitstoot van schadelijke stoffen door de inrichting. Hiervoor is hij volgens hem nog steeds niet schadeloos gesteld en ook het onderhavige besluit bevat ten onrechte geen schadeloosstelling. Daarnaast merkt hij op dat het bestreden besluit niet voorziet in de aanleg van een bos als afschermend element tussen de inrichting en de woonomgeving van Borsele, zodat het leefmilieu rondom de inrichting ondanks toezeggingen niet zal verbeteren.

2.8.1.    Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

Bouwvergunning

2.9.    Appellant stelt dat verweerder de behandeling van de aanvraag om een milieuvergunning ten onrechte niet heeft gecoördineerd met de te verlenen bouwvergunning.

2.9.1.    Blijkens de stukken heeft deze coördinatie wel plaatsgevonden, zodat de stelling van appellant feitelijk onjuist is.

Conclusie

2.10.    Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

255-537.