Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9244

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200703951/1 en 200703951/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast zijn woonwagen en bedrijfswagens te verwijderen van het parkeerterrein bij zwembad De Vliet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/540
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703951/1 en 200703951/2.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/3089 en 07/3090 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juni 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast zijn woonwagen en bedrijfswagens te verwijderen van het parkeerterrein bij zwembad De Vliet.

Bij besluit van 2 april 2007 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en J.J.F. Plate, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb omdat hij expliciet heeft verzocht om nadere gronden van beroep te mogen indienen.

2.2.1.    Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan worden toegepast indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 november 2003, zaak nos. 200303380/1 en 200303380/2 gaat het er daarbij om of de informatie die schriftelijk en ter zitting is verkregen van dien aard is dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Gelet op de stukken in het rechtbankdossier, waaronder het proces-verbaal van de zitting, waren de voorhanden zijnde gegevens toereikend voor een verantwoorde oordeelsvorming van de voorzieningenrechter. Het betoog faalt.

2.3.    Niet in geschil is dat het stallen van de woonwagen en bedrijfswagens van appellant op het parkeerterrein bij zwembad De Vliet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Appellant bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de gemeente Leiden niet verplicht was een gebruikersovereenkomst voor het stallen van zijn wagens met hem aan te gaan omdat zijn situatie niet gelijk is aan die van zijn vader met wie wel een dergelijke overeenkomst is aangegaan.

2.4.1.    De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de vader van appellant ten tijde van het aangaan van de overeenkomst een aantoonbaar belang had bij vestiging in Leiden, hetgeen indertijd op grond van de inmiddels vervallen Woonwagenwet een criterium was bij de verlening van een ontheffing van het verbod met een woonwagen een standplaats te hebben buiten een centrum. Dat de vader van appellant dat aantoonbare belang had, blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken over de procedure over de ontheffingsaanvraag van de vader van appellant. De procedure over de ontheffingsaanvraag van appellant is echter geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2001, zaak no. 199903657/1 (aangehecht), waarin is geoordeeld dat appellant onvoldoende aantoonbaar belang had bij vestiging in Leiden. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid overwogen dat appellant zich in dit opzicht in een andere positie bevindt dan zijn vader, en dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat aan appellant geen gebruikersovereenkomst is aangeboden. Dat, zoals appellant stelt, de Afdeling in genoemde uitspraak is uitgegaan van een onjuist feitencomplex omdat hij nooit ergens anders heeft gewoond en gewerkt dan in Leiden en het adres in Wolvega waar hij stond ingeschreven slechts een briefadres was - wat daar van zij - leidt niet tot een ander oordeel omdat de uitspraak onherroepelijk is zodat van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.

2.5.    Appellant bestrijdt tenslotte tevergeefs het oordeel van de voorzieningenrechter dat ook overigens geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden zou moeten afzien. Hij stelt daartoe dat hij zijn woonwagen en bedrijfswagens al sinds 1999 op het parkeerterrein bij zwembad De Vliet stalt, dat het college bij handhaving een rechtsplicht heeft om te zorgen voor een alternatieve standplaats en dat de last om zijn wagens te verwijderen ten onrechte is gebaseerd op de APV.

2.5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 februari 2004 in zaak no. 200303919/1, BR 2004, 666), betekent de omstandigheid dat een overtreding lange tijd door het bestuursorgaan ongemoeid is gelaten niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden. Nu de weigering van het college om appellant ontheffing te verlenen van het verbod om buiten een centrum standplaats in te nemen door de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2001 onherroepelijk is geworden kan niet worden geoordeeld dat door het enkele tijdsverloop sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Ook de door appellant gestelde rechtsplicht van de gemeente om hem een alternatieve standplaats aan te bieden kan niet worden aangemerkt als zodanige omstandigheid, nu voor het aannemen van een dergelijke plicht geen wettelijke basis bestaat. Voorts kan, nu aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 oktober 2004 strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ten grondslag is gelegd en het college, zoals hiervoor is overwogen, op grond daarvan bevoegd is handhavend op te treden, in het midden blijven of het college de last mede op artikel 99B van de Algemene Plaatselijke Verordening heeft kunnen baseren.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens, w.g. Mathot

Voorzitter, ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

413