Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200703947/1 en 200703947/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast zijn bedrijfswagens te verwijderen van het parkeerterrein bij zwembad De Vliet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703947/1 en 200703947/2.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/3092 en 07/3094 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 juni 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast zijn bedrijfswagens te verwijderen van het parkeerterrein bij zwembad De Vliet.

Bij besluit van 2 april 2007 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) - voor zover thans van belang - het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 8 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Deze brieven zijn aangehecht.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en J.J.F. Plate, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb omdat hij expliciet heeft verzocht om nadere gronden van beroep te mogen indienen.

2.2.1.    Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan worden toegepast indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 november 2003, zaak nos. 200303380/1 en 200303380/2, gaat het er daarbij om of de informatie die schriftelijk en ter zitting is  verkregen van dien aard is dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Gelet op de stukken in het rechtbankdossier, waaronder het proces-verbaal van de zitting, waren de voorhanden zijnde gegevens toereikend voor een verantwoorde oordeelsvorming van de voorzieningenrechter. Het betoog faalt.

2.3.    Niet in geschil is dat het stallen van de bedrijfswagens van appellant op het parkeerterrein bij zwembad De Vliet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de procedure over zijn aanvraag om een ontheffing in de zin van artikel 10 van de (inmiddels vervallen) Woonwagenwet is geëindigd. Hij stelt dat het college alsnog een beslissing op die aanvraag dient te nemen.

2.4.1.    Met juistheid heeft de voorzieningenrechter overwogen dat een eventueel op de aanvraag van appellant te verlenen ontheffing op grond van de Woonwagenwet slechts betrekking kan hebben op de woonwagen van appellant. De uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 1994, zaak no. R03.91.0358, AB 1995, 88, waar appellant zich op beroept, vormt geen aanleiding hier anders over te oordelen. In die uitspraak wordt overwogen dat artikel 61 van de Woonwagenwet van toepassing zou kunnen zijn op de betrokken snackkraam indien die op zodanige wijze met een woonwagen is verbonden dat een geheel is ontstaan dat niet zonder niet te verwaarlozen schade aan de woonwagen of gevolgen voor de bewoonbaarheid ervan weer daarvan kan worden afgesplitst. Van een dergelijke verbondenheid van de woonwagen van appellant met zijn bedrijfswagens is geen sprake. Dit brengt mee dat de procedure over de ontheffing op grond van de Woonwagenwet, nu het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 oktober 2004 slechts betrekking heeft op de bedrijfswagens van appellant, niet relevant is voor het onderhavige geschil. Mitsdien kan in het midden blijven of de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen dat de ontheffingsprocedure als beëindigd moet worden beschouwd. Het betoog van appellant treft geen doel.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de voorzieningenrechter zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Hij stelt dat tegen een andere kermisexploitant die een woonwagen en bedrijfswagens illegaal stalt niet wordt opgetreden.

2.5.1.    Ook dit betoog faalt. Ter zitting is door het college aangegeven waarin de situatie van de exploitant op het terrein bij de Groenoordhallen zich onderscheidt van die van appellant. Voorts zal in verband met plannen van de gemeente om dat terrein verder te ontwikkelen ook tegen degenen die hier zonder gebruikersovereenkomst staan worden opgetreden. Door appellant is niet aannemelijk gemaakt dat niettemin van ongelijke behandeling van gelijke gevallen sprake is.

2.6.    Appellant bestrijdt tenslotte tevergeefs het oordeel van de voorzieningenrechter dat ook overigens geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden zou moeten afzien. Hij stelt daartoe dat hij zijn bedrijfswagens al sinds 1999 op het parkeerterrein bij zwembad De Vliet stalt, dat het college bij handhaving een rechtsplicht heeft  om te zorgen voor een alternatieve standplaats en dat de last om zijn wagens te verwijderen ten onrechte is gebaseerd op de APV.

2.6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 februari 2004 in zaak no. 200303919/1, BR 2004, 666), betekent de omstandigheid dat een overtreding lange tijd door het bestuursorgaan ongemoeid is gelaten niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden. Nu in de gebruikersovereenkomst die appellant op 29 mei 2000 met de gemeente Leiden is aangegaan uitdrukkelijk is bepaald dat het niet is toegestaan andere wagens dan de woonwagen op het in gebruik te geven perceel te plaatsen, kan niet worden geoordeeld dat door tijdsverloop sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Ook de door appellant gestelde rechtsplicht van de gemeente om hem een alternatieve standplaats aan te bieden kan niet worden aangemerkt als zodanige omstandigheid, nu voor het aannemen van een dergelijke plicht geen wettelijk basis bestaat. Voorts kan, nu aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 oktober 2004 strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ten grondslag is gelegd en het college, zoals hiervoor is overwogen, op grond daarvan bevoegd is handhavend op te treden, in het midden blijven of het college de last mede op artikel 99B van de Algemene Plaatselijke Verordening heeft kunnen baseren.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens, w.g. Mathot

Voorzitter, ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

413