Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200702598/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2004 heeft de verenigde vergadering van het waterschap Wilck en Wiericke, thans de dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het hoogheemraadschap), het peilbesluit voor de polder Reeuwijk en Sluipwijk vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00702598/3.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het  hoger beroep van:

de vereniging "Vereniging van Watereigenaren en Rechthebbende gebruikers", gevestigd te Reeuwijk,

verzoekster,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/6417 en 05/7001 van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 februari 2007 in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2004 heeft de verenigde vergadering van het waterschap Wilck en Wiericke, thans de dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het hoogheemraadschap), het peilbesluit voor de polder Reeuwijk en Sluipwijk vastgesteld.

Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) goedkeuring verleend aan dit peilbesluit.

Bij uitspraak van 27 februari 2007, verzonden op 8 maart 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2007, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [bestuurder] is verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], wonend te [woonplaats],

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het geding heeft betrekking op het peilbesluit voor de polder Reeuwijk en Sluipwijk, waarbij het peil is vastgesteld op NAP -2.20 meter.

2.3.    Verzoekster voert aan dat het hoogheemraadschap heeft toegezegd dat het vastgestelde peil niet zou worden ingesteld totdat het peilbesluit onherroepelijk is geworden. Verzoekster stelt dat zij uit persberichten en publicaties van het hoogheemraadschap heeft vernomen dat het hoogheemraadschap de peilaanpassingen toch ter hand zal nemen en dat het hoogheemraadschap zulks telefonisch heeft bevestigd. Gelet op de onomkeerbare gevolgen die de uitvoering van het besluit met zich brengt stelt verzoekster een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Bij brief van 27 maart 2006 heeft het hoogheemraadschap, verklaard dat zolang het peilbesluit niet onherroepelijk is, men het peilbesluit niet verder zal uitvoeren en de peilen in de verschillende peilvakken niet zal wijzigen. Nu niet alleen hangende de procedure bij de rechtbank, doch ook hangende het hoger beroep nog geen sprake is van een onherroepelijk peilbesluit, mocht verzoekster er op vertrouwen dat het hoogheemraadschap zijn toezegging gestand zou doen en dit besluit niet zou worden uitgevoerd. Uit de stukken blijkt dat gedeputeerde staten met deze toezegging bekend zijn. Nu gedeputeerde staten en het hoogheemraadschap naar aanleiding van het verzoek van 12 juni 2007 geen duidelijkheid hebben verschaft dat de toezegging gestand wordt gedaan, ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek in te willigen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 23 augustus 2005, kenmerk DGWM/2005/3398A, totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep zal hebben beslist;

II.    gelast dat het hoogheemraadschap aan de vereniging "Vereniging van Watereigenaren en Rechthebbende gebruikers" het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak, w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter, ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

47-536.