Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200703423/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op een verzoek om handhaving van verzoeker met betrekking tot de varkenshouderij van [vergunninghouder] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00703423/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft verweerder afwijzend beslist op een verzoek om handhaving van verzoeker met betrekking tot de varkenshouderij van [vergunninghouder] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 15 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2007, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoeker betoogt dat verweerder het verzoek om handhaving ten onrechte heeft afgewezen.

2.2.    Vaststaat dat in de inrichting een nieuwbouwstal, waarin varkens worden gehouden, is geplaatst, waarvoor de voor de inrichting vigerende vergunningen niet gelden en zonder dat daar een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor is verleend.

   Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen.

   De conclusie is dat is gehandeld in strijd met dit wetsartikel. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Verweerder betoogt dat gezien de aanvraag om vergunning van 4 juli 2005 en het ontwerp van het besluit van 22 mei 2007 de nieuwbouwstal kan worden gelegaliseerd voor zover daarin maximaal 2.050 vleesvarkens worden gehouden. In zoverre bestaat concreet uitzicht op legalisatie en derhalve is het niet redelijk handhavingsmaatregelen te treffen, aldus verweerder.

2.4.    Verzoeker betoogt dat het uitzicht op legalisatie veel kleiner is omdat verweerder miskent dat de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) niet van toepassing is in het gebied waar de inrichting is gelegen.

2.5.    Ter zitting is gebleken dat verweerder bij het opstellen van het ontwerpbesluit ten onrechte heeft aangenomen dat de Wet stankemissie van toepassing is. Weliswaar is ter zitting gebleken dat in ieder geval voor 903 mestvarkeneenheden - hetgeen in de betrokken stal overeenkomt met 1264 vleesvarkens - vergunning kan worden verleend maar dit is slechts een beperkt deel van het aantal dieren waarvoor vergunning is gevraagd. Gelet hierop heeft verweerder het verzoek om handhaving ten onrechte in zijn geheel afgewezen.

   De Voorzitter neemt aan dat verweerder bij de heroverweging in het kader van de beslissing op bezwaar opnieuw zal bezien in hoeverre vergunningverlening mogelijk is.

2.6.    De Voorzitter ziet aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 7 mei 2007, kenmerk VVH 14376, tot zes weken na het besluit op bezwaar;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bronckhorst aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Bronckhorst aan et door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd, w.g. Van Hardeveld

Voorzitter, ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

312