Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200703110/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vrijstelling verleend ten behoeve van een bouwplan voor woningen, commerciële ruimten, kantoren en een parkeervoorziening aan de Neerstraat/Paredisstraat te Roermond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200703110/2.

Datum uitspraak: 3 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Ruimte", gevestigd te Roermond,

verzoekster,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/1387 en 06/1388 van de rechtbank Roermond van 4 april 2007 in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vrijstelling verleend ten behoeve van een bouwplan voor woningen, commerciële ruimten, kantoren en een parkeervoorziening aan de Neerstraat/Paredisstraat te Roermond.

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft het college aan vergunninghoudster een bouwvergunning verleend voor het oprichten van vier woningen, het veranderen van een winkel/woonhuis en het oprichten van winkelruimte op de percelen Neerstraat 21, 23, 25, 27, 29 en 31 te Roermond.

Bij afzonderlijke besluiten van 27 maart 2006 heeft het college aan vergunninghoudster sloopvergunningen verleend voor het slopen van drie panden op de percelen Neerstraat 21, 29 en 31 en de gedeeltelijke sloop van een pand op het perceel Neerstraat 27 te Roermond.

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het door verzoekster tegen het besluit van 13 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college het door verzoekster tegen de besluiten van 27 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door verzoekster tegen de besluiten van 27 juni 2006 en 18 juli 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 1 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 19 juni 2007 (zaak no. 200703110/3) heeft de Voorzitter vooruitlopend op de zitting op 28 juni 2007 de besluiten van 18 juli 2006 en 27 maart 2006 geschorst tot en met 4 juli 2007.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door drs. W.A.J. Cartigny en L.C.M.S. Jansen, en het college, vertegenwoordigd door drs. H.J.W. Hondelink en P.J.J.M. van Lierop, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als belanghebbende gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Roermond, en [directeur] van vergunninghoudster.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De Voorzitter stelt voorop dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg de besluiten heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.

2.3.    Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, geeft op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de bouwvergunning en sloopvergunningen niet mochten worden verleend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

2.4.    Verzoekster betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Binnenstad Roermond". In dat artikel is onder meer bepaald dat met betrekking tot het bouwen binnen de grenzen van het op de kaart aangegeven beschermd stadsgezicht hetgeen in de "Atlas voor de Ruimtelijke Kwaliteitszorg" (hierna: de Atlas) is opgenomen, geldt, en voorts dat een cultuurhistorische analyse met waardestelling, in samenhang met de stedenbouwkundige randvoorwaarden waarvoor de Atlas richtinggevend is, de basis vormt voor de beoordeling van bouwplannen.

2.5.    De Voorzitter onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat het college het standpunt dat het bouwplan voldoet aan artikel 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Binnenstad Roermond" (hierna: het bestemmingsplan) summier heeft gemotiveerd. Gelet op het positieve advies van de Commissie Beeldkwaliteit (hierna: de commissie) van 18 januari 2006 en op de verslagen van de door de commissie gehouden vergaderingen en de in beroep en hoger beroep overgelegde verweerschriften van het college, die inzicht geven op welke gronden de commissie tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan voldoet aan de Atlas, is er naar het oordeel van de Voorzitter evenwel op voorhand geen aanleiding te concluderen, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan artikel 4 van het bestemmingsplan. Het beroep van verzoekster op het rapport van het Monumenten Advies Bureau van april 2005 leidt de Voorzitter niet tot een ander oordeel, reeds omdat dat rapport, hoewel betrekking hebbend op de op de percelen gelegen opstallen, niet ziet op het bouwplan en derhalve niet als een tegen het advies van de commissie gericht tegenadvies kan worden aangemerkt. Voorts is van belang dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de in het rapport van april 2005 neergelegde cultuurhistorische analyse, hoewel door het college niet onverkort gevolgd, in overeenstemming met artikel 4 van de planvoorschriften tezamen met de Atlas de basis van de beoordeling van het bouwplan heeft gevormd.

2.6.     Gelet hierop, en na afweging van de betrokken belangen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Dat impliceert dat de op 19 juni 2007 uitgesproken schorsing tot en met 4 juli 2007 niet wordt gecontinueerd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Roessel

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007

457