Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200608160/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] gelegen aan de [locatie] te [plaats] een nadere eis gesteld op grond van het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit). Dit besluit is op 19 januari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608160/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] gelegen aan de [locatie] te [plaats] een nadere eis gesteld op grond van het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit). Dit besluit is op 19 januari 2006 ter inzage gelegd.

Bij besluit van 2 oktober 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door vergunninghoudster daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 december 2006.

Bij brief van 26 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2007, waar appellant, in persoon, en bijgestaan door mr. E. Schaap Enterman, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.L. Wennink en E. Lap, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 17 januari 2006 heeft verweerder op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit in samenhang met voorschrift 4.1.4 van bijlage 2 van het Besluit aan de [inrichting] een nadere eis opgelegd in verband met het voldoen aan voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij het besluit van 17 januari 2006 opgelegde nadere eis herroepen en op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit in samenhang met voorschrift 4.1.4 van bijlage 2 van het Besluit aan de [inrichting] een nadere eis opgelegd inhoudende dat de piekgeluidgrenswaarde in de avondperiode (19.00 uur tot 23.00 uur) verhoogd wordt tot maximaal 70 dB(A), hetgeen overeenkomt met het toestaan van één vervoersbeweging in de avondperiode.

2.2.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voor zover van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in bijlage 2 van het Besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voor zover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

   Ingevolge voorschrift 1.1.1, van bijlage 2 van het Besluit, voor zover hier van belang, geldt voor het piekniveau (Lamax), veroorzaakt door de in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in het glastuinbouwbedrijf verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau op de gevel van woningen in de avondperiode (19.00 uur tot 22.00 uur) niet meer dan 65 dB(A) mag bedragen.

   Ingevolge voorschrift 4.1.1, van bijlage 2 van het Besluit, voor zover hier van belang, kan het Wm-bevoegd gezag, in gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden voor piekgeluiden naar het oordeel van het Wm-bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen, die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden.

   Ingevolge voorschrift 4.1.2, van bijlage 2 van het Besluit, voor zover hier van belang, kan het Wm-bevoegd gezag slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1 indien binnen woningen of andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van het glastuinbouwbedrijf, een etmaalwaarde van 35 dB(A) is gewaarborgd.

   Ingevolge voorschrift 1.1.4, van bijlage 2 van het Besluit, voor zover van belang, blijven in gevallen waarin voor het glastuinbouwbedrijf een melding op grond van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer was gedaan, dan wel indien voor het glastuinbouwbedrijf voor inwerkingtreding van het Besluit glastuinbouw een Wm-vergunning was verleend, de tijdstippen voor de avondperiode (19.00 uur tot 23.00 uur) gelden.

2.3.    Appellant kan zich niet verenigen met de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eis. Hiertoe voert hij aan dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verhogen van de piekgeluidgrenswaarde, omdat hij reeds geluidoverlast ondervindt van onder meer langsrijdend vrachtverkeer en laad- en losactiviteiten. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de bij het besluit van 17 januari 2006 opgelegde nadere eis, inhoudende dat in de avondperiode (19.00 uur tot 22.00 uur) vanaf de [locatie] géén enkele (bedrijfsmatige) vervoersbeweging op de toegangsweg tot de bedrijfsloods naar de inrichting aan de [locatie] te [plaats] plaats mocht vinden, herroepen, aldus appellant. Voorts heeft verweerder volgens appellant ten onrechte geen akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de verhoging van de piekgeluidgrenswaarde in de woning van appellant. Het in opdracht van [vergunninghouder] uitgevoerde akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit is, naar de mening van appellant, onjuist en niet representatief.

2.4.    Verweerder heeft aan de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eis, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie, onder meer de overweging ten grondslag gelegd dat het in het belang van de bedrijfsvoering van [vergunninghouder] is om één vervoersbeweging in de avondperiode toe te staan, omdat [vergunninghouder] een logistiek belang heeft bij het in de avondperiode plaatsen van de vrachtwagen op het terrein van de inrichting in plaats van op de openbare weg. Voorts heeft verweerder overwogen dat het slechts gaat om een verruiming van 5 dB(A) van de piekgeluidgrenswaarde in de avondperiode gedurende één vervoersbeweging en dat op grond van het akoestisch onderzoek is gebleken dat een etmaalwaarde van 35 dB(A) in de woning van appellant is gewaarborgd.

2.5.    Verweerder heeft een in opdracht van [vergunninghouder] door architecten- en ingenieursbureau De Rooij BV, nummer 05-258A, d.d. 10 augustus 2005, uitgevoerd akoestisch rapport ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Uit dit rapport blijkt dat de piekgeluidgrenswaarde uit voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit op de gevel van de woning van appellant in de avondperiode met 5 dB(A) wordt overschreden als gevolg van één vervoersbeweging van een vrachtwagen. Ook blijkt uit het akoestisch rapport dat de etmaalwaarde van 35 dB(A) uit voorschrift 4.1.2 van bijlage 2 van het Besluit in de woning van appellant in dat geval niet wordt overschreden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de in het akoestisch rapport gehanteerde uitgangspunten dan wel de uitkomsten van dit rapport onjuist zouden zijn.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis, gezien de daaraan ten grondslag gelegde belangenafweging, in redelijkheid kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat maar één vervoersbeweging in de avondperiode is toegestaan, alsmede de uitkomsten van het akoestisch rapport. Het betoog van appellant dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar andere aan- en afvoerroutes alsmede onvoldoende onderbouwing heeft gegeven hoe de raming van de kosten die een andere aan- en afvoerroute meebrengt, tot stand is gekomen, noopt niet tot een ander oordeel.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton      w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007

312-541.