Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
200702987/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft verweerder aan de stichting "Stichting Circuit van Drenthe" een veranderingsvergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend ten behoeve van het TT-circuit gelegen aan De Haar te Assen. Dit besluit is op 23 maart 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702987/2.

Datum uitspraak: 2 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting "Stichting Het Drentse Landschap", gevestigd te Assen, en anderen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft verweerder aan de stichting "Stichting Circuit van Drenthe" een veranderingsvergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend ten behoeve van het TT-circuit gelegen aan De Haar te Assen. Dit besluit is op 23 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 26 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2007, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen, bijgestaan door H. Zingstra en W.J.S. Balje, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Brouwer, bijgestaan door G. Gjaltema en G. Eleveld, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, bijgestaan door ir. F.A.G.M. Schermer, mr. S. Pluim en P.J. Oosterbaan, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Bij besluit van 10 december 2002 is ten behoeve van het TT-circuit krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend. Op grond van deze vergunning mogen onder meer motor- en autoraces, motor- en autotrainingen en motor- en autorijvaardigheidsopleidingen worden gehouden. Gedurende maximaal 8 dagen per jaar mogen activiteiten plaatsvinden die een hoger geluidniveau veroorzaken dan de grenswaarden die gelden voor de representatieve bedrijfssituatie.

   De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning betreft extra ontheffingen van de geluidgrenswaarden die gelden voor de representatieve bedrijfssituatie. Gedurende maximaal 4 dagen per jaar mogen muziekfestivals en popconcerten worden gehouden. Muziekfestivals duren ten hoogste drie aaneengesloten dagen en vinden plaats in de periode vanaf het eerste volle weekend voor 15 augustus tot 1 oktober. Popconcerten duren 1 dag en vinden plaats in de periode vanaf het laatste weekend in juli tot 1 oktober.

2.3.    De Voorzitter begrijpt het betoog van verzoekers inzake het natuurgebied "Witterveld" aldus dat zij van mening zijn dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de effecten van de bij het bestreden besluit vergunde evenementen op dit gebied, dat van communautair belang is in de zin van richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn).

   Het gebied "Witterveld" is krachtens artikel 7 van de Natuurbeschermingswet (oud) aangewezen als beschermd natuurmonument. Ingevolge artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998, samen met artikel 65 van deze wet, is het - kort gezegd - verboden zonder vergunning handelingen binnen of buiten het gebied te verrichten die voor het gebied schadelijk kunnen zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2007 in zaak no. 200604026/1 volgt dat artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (Habitat)richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd. Dit betekent dat aan de uit de Habitatrichtlijn voortvloeide verplichtingen kan worden voldaan bij toepassing van artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998.

   Verweerder heeft zich gezien het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de gevolgen van de inrichting voor het gebied "Witterveld" in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 moeten worden beoordeeld, en niet in het kader van de verlening van de thans bestreden vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Het verzoek van verzoekers komt in zoverre niet voor inwilliging in aanmerking.

2.4.    Alle overige bezwaren van verzoekers hebben betrekking op de vanwege de vergunde muziekfestivals en popconcerten te duchten geluidhinder voor omwonenden. Deze achten zij onaanvaardbaar. Zij voeren aan - samengevat weergegeven - dat verweerder bij zijn beoordeling ten onrechte de nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" tot uitgangspunt heeft genomen en dat hij bovendien onvoldoende rekening heeft gehouden met onder meer de geluidbelasting van de eerder vergunde activiteiten in de inrichting. Verder voeren zij aan dat de berekende geluidbelasting van de vergunde muziekfestivals en popconcerten te laag is. Voorts zijn volgens verzoekers onjuiste uitgangspunten gehanteerd inzake onder meer de gevelwering van woningen in de omgeving.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Deze paragraaf houdt onder meer in dat volgens vaste jurisprudentie ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Aan de op grond van paragraaf 5.3 van de Handreiking vereiste belangenafweging heeft verweerder onder meer invulling gegeven door de nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" van de VROM-inspectie Limburg te hanteren en op basis daarvan geluidgrenswaarden aan de vergunning te verbinden.

2.4.2.    De Voorzitter overweegt dat deze procedure zich niet leent voor beantwoording van de vragen of verweerder in dit geval de nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" heeft mogen hanteren en of hij de voor de muziekfestivals en popconcerten gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, onder meer gelet op de reeds bestaande geluidbelasting voor omwonenden, in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten. Het oordeel van de Afdeling in deze zal moeten afgewacht. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening zal worden gevraagd een deskundigenbericht uit te brengen, onder meer met het oog op de door verweerder gehanteerde uitgangspunten inzake de door de vergunde evenementen veroorzaakte geluidbelasting en de gevelwering van woningen in de omgeving. Van evidente onjuistheden is de Voorzitter wat deze aspecten betreft niet gebleken.

2.5.    De Voorzitter ziet na afweging van de betrokken belangen geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat vergunninghoudster desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat zij in het lopende jaar 2007 ten hoogste gedurende 1 dag een grootschalig muziekevenement zal houden. Voor het overige zal zij in 2007 geen gebruik maken van de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Voor een dergelijk muziekevenement zijn bij het bestreden besluit grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, zodat de omgeving in zekere mate is beschermd. Bij zijn afweging heeft de Voorzitter verder betrokken dat hij verwacht dat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan ruim voordat in het jaar 2008, in de vergunde periode vanaf het laatste weekend in juli tot 1 oktober, van de bij het bestreden besluit verleende vergunning gebruik kan worden gemaakt.

2.6.    De Voorzitter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2007

431