Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA9152

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
200703906/2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublin-verordening / voorlopige voorziening / hoger beroep

Het betoog dat met het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden bereikt dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 19 van de Verordening wordt opgeschort, omdat genoemd artikel niet ziet op het hoger beroep van het bestuursorgaan wordt niet gevolgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 februari 2005 in zaak no. 200408891/1; JV 2005/153) is een tot opschortende werking van het beroep of bezwaar in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Verordening strekkende bevoegdheid neergelegd in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepaling is ingevolge artikel 88, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Niet valt in te zien dat ten aanzien van artikel 19, derde lid, van de Verordening anders moet worden geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703906/2.

Datum uitspraak: 25 juni 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

verzoeker,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/12768 en 07/12766 van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 11 mei 2007 in de gedingen tussen:

[de vreemdeling],

en

verzoeker.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft verzoeker (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 11 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris opnieuw beslist op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 juni 2007, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de staatssecretaris de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 11 juni 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de hoger-beroepsprocedure opschortende werking heeft, zodat de termijn als bedoeld in artikel 19 van de Verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) wordt opgeschort.

2.2. Niet valt op voorhand uit te sluiten dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Gebleken is dat de termijn waarbinnen de overdracht van de vreemdeling aan Griekenland uiterlijk dient plaats te vinden, eindigt op 21 juli 2007 en voordien naar verwachting geen uitspraak op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep zal worden gedaan. Aangezien dit hoger beroep zonder dat de verzochte voorziening wordt getroffen illusoir zal worden, komt het verzoek op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking. Daartoe wordt mede in aanmerking genomen dat de behandeling van de bodemprocedure zal worden bespoedigd en de termijn van artikel 19, derde lid, van de Verordening wordt opgeschort met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak.

2.3. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd leidt niet tot een andersluidend oordeel. Het betoog dat met het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden bereikt dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 19 van de Verordening wordt opgeschort, omdat genoemd artikel niet ziet op het hoger beroep van het bestuursorgaan wordt niet gevolgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 februari 2005 in zaak no. 200408891/1; JV 2005/153) is een tot opschortende werking van het beroep of bezwaar in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Verordening strekkende bevoegdheid neergelegd in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepaling is ingevolge artikel 88, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Niet valt in te zien dat ten aanzien van artikel 19, derde lid, van de Verordening anders moet worden geoordeeld.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat aan het hoger beroep van de staatssecretaris opschortende werking, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Verordening, wordt verleend, totdat hierop is beslist.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos

Voorzitter

w.g. Bakker

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2007

393

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak