Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200607510/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap Vodafone Libertel N.V. (hierna: Vodafone) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast ten behoeve van mobiele communicatie op het perceel Hakstraat 9-a te Nagele (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/1248

Uitspraak

200607510/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/195 van de rechtbank Zwolle van 5 september 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap Vodafone Libertel N.V. (hierna: Vodafone) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast ten behoeve van mobiele communicatie op het perceel Hakstraat 9-a te Nagele (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 december 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2006, verzonden op 7 september 2006, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen op het bezwaar dient te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 13 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2007 hebben [wederpartijen] van antwoord gediend.

Bij brief van 16 februari 2007 hebben [wederpartijen] een nadere reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college en van [wederpartijen]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2007, waar het college, vertegenwoordigd door W.J. Schutte, wethouder, en A.M. Duiven, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn verschenen [2 wederpartijen] in persoon, bijgestaan door mr. J.P.E. Baakman, en Vodafone, vertegenwoordigd door mr. J.M. Thomissen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kavel E 94 Nagele" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Industrie".

   Ingevolge artikel 4, lid 1, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor industrie aangewezen gronden bestemd voor ambachtelijke bedrijven, nijverheid, handel met uitzondering van detailhandelsbedrijven, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, dienstwoningen, bijgebouwen, kantoren, showrooms en andere bouwwerken en open terreinen, zoals opslag-, los- en laadplaatsen, wegen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen, met dien verstande dat:

(..)

j. de maximum hoogte van andere bouwwerken maximaal 9.00 m mag bedragen.

2.2.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking: een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 m.

2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college enkel voor de hoogte van het bouwwerk vrijstelling heeft verleend van het bestemmingsplan en geen vrijstelling is verleend van de bestemming "Industrie".

2.3.1.    Dit betoog slaagt. Het college heeft op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, vrijstelling verleend van artikel 4, eerste lid, van het bestemmingsplan voor de realisatie van de GSM-mast op het perceel met de bestemming "Industrie". Dat in het besluit van 13 december 2005 is vermeld dat de vrijstelling is verleend in verband met de hoogte van de mast, geeft geen grond voor het oordeel dat de vrijstelling niet tevens is verleend in verband met de strijdigheid van het bouwplan met de in artikel 4, eerste lid, opgenomen doeleindenomschrijving. De vrijstelling ziet immers op het voorliggende bouwplan en zou zinledig zijn indien deze tot de hoogtevoorschriften zou zijn beperkt. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 december 2005 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg door appellanten voorgedragen beroepsgronden.

2.5.    Het beroep wordt, voor zover ingediend namens [1 wederpartij], wonende aan de [locatie] te [plaats], niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2005.

2.6.    [wederpartijen] betogen dat het college bij de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning onvoldoende gewicht heeft toegekend aan gezondheidsrisico's door straling bij langdurig verblijf in nabijheid van antennes ten behoeve van mobiele communicatie, zoals uiteen gezet in de door hen overgelegde rapporten. Voorts betogen zij dat het college zijn oordeel ten aanzien van deze gezondheidsrisico's niet mocht baseren op een rapport van de Gezondheidsraad, nu volgens [wederpartijen] moet worden getwijfeld aan de onafhankelijkheid van de Gezondheidsraad, vanwege de nevenfuncties die enkele leden daarvan bekleden.

2.7.    Blijkens de bouwaanvraag en de daarvan deel uitmakende tekeningen is uitsluitend beoogd bouwvergunning te verkrijgen voor een mast met GSM-antennes. De vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend voor het oprichten van een GSM-mast ten behoeve van mobiele communicatie. Voorts blijkt uit de beslissing op bezwaar niet dat de verleende bouwvergunning in die zin is aangepast dat de op te richten antenne-installatie mede strekt tot plaatsing van UMTS-antennes. Dat de mast op zichzelf geschikt is voor de plaatsing daarin van UMTS-antennes en Vodafone heeft erkend indien mogelijk daartoe in de toekomst te willen overgaan, doet er niet aan af dat eventuele plaatsing van UMTS-antennes buiten de reikwijdte van de aanvraag valt. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 6 september 2006, inzake no. 200509851/1.

2.8.    Het college heeft zich ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van het bouwplan gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad van 28 juni 2004, naar aanleiding van het onderzoek van TNO van september 2003 naar de effecten van onder meer GSM-signalen op het welbevinden en op de cognitie. De conclusie van dat advies is dat op grond van de resultaten uit het TNO-onderzoek niet kan worden vastgesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en vermindering van het welbevinden of schade aan de gezondheid anderzijds. Vast staat dat het bouwplan voldoet aan door de Gezondheidsraad vastgestelde, op internationale blootstellingslimieten gebaseerde, strenge veiligheidsmarges. In hetgeen [wederpartijen] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de Gezondheidsraad niet een ter zake deskundige en onafhankelijke instantie is. Dat enkele leden nevenfuncties bekleden geeft daartoe onvoldoende grond. Voorts acht de Afdeling met hetgeen [wederpartijen] naar voren hebben gebracht niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en/of inhoudelijk onjuist is. Dat in de door [wederpartijen] overgelegde rapporten andere conclusies worden getrokken dan in dat advies geeft daartoe onvoldoende aanleiding. Het college heeft het advies van de Gezondheidsraad dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

   Het betoog van [wederpartijen] faalt.

2.9.    Het betoog van [wederpartijen] dat de keuze voor onderhavig perceel als locatie voor de plaatsing van de GSM-mast onzorgvuldig is geweest, kan niet slagen. Het college heeft te beslissen over het bouwplan, zoals dat bij hem is ingediend. Indien dit bouwplan aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet aannemelijk is gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.

2.10.    Uit het vorenstaande volgt dat niet met succes staande kan worden gehouden dat het college in de door [wederpartijen] geuite vrees voor gezondheidsrisico's, noch in het overigens door hen in beroep gestelde, aanleiding had moeten vinden de gevraagde vrijstelling te weigeren.

2.11.    Het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van 13 december 2005 is ongegrond.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 5 september 2006 in zaak no. AWB 06/195;

III.    verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [1 wederpartij], niet-ontvankelijk;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Wijers

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

270-444.