Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200601913/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2005, kenmerk PS/2005/615, hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het uitwerkingsplan "Winterswijk-Oost" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Reconstructiewet concentratiegebieden
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/524

Uitspraak

200601913/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

4.    [appellanten sub 4], allen wonend te [woonplaats],

5.    [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats],

6.    [appellanten sub 6], allen wonend te [woonplaats],

7.    [appellanten sub 7], allen wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Gelderland (hierna: verweerders),

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister en de Staatssecretaris).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2005, kenmerk PS/2005/615, hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het uitwerkingsplan "Winterswijk-Oost" vastgesteld.

De Minister en de Staatssecretaris hebben bij besluit van 16 december 2005, kenmerk DRZO, 2005/2156, het uitwerkingsplan goedgekeurd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 11 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2006, appellant sub 2 bij brief van 10 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2006, appellanten sub 3 bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellanten sub 4 bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2006, appellanten sub 5 bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2006, appellanten sub 6 bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2006, en appellanten sub 7 bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2006, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 10 april 2006.

Bij brief van 7 juni 2006 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. Bij brief van 19 mei 2006 heeft de Staatssecretaris een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de Minister alsook een gezamenlijk stuk van [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellanten sub 7] en [appellant sub 1]. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2007, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. C.M.H. Cohen, [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door mr. G.H.A. ter Kuile, [appellanten sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. C.M.H. Cohen, [appellanten sub 6], vertegenwoordigd door mr. C.M.H. Cohen, en [appellanten sub 7] in persoon en bijgestaan door mr. C.M.H. Cohen, en verweerders, vertegenwoordigd door H.C. Teijgeler en ir. T.J Spek, ambtenaren van de provincie, en de Minister, vertegenwoordigd door  mr. C.A.H.J. Anthonissen, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Winterswijk, vertegenwoordigd door ing. A. Schoenmaker, ambtenaar van de gemeente, als partij daar gehoord. [appellant sub 2], [appellanten sub 3], en de Staatssecretaris zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Wettelijk kader

2.2.    Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het reconstructieplan Achterhoek en Liemers. Het voorziet in maatregelen voor herverkaveling voor het gebied Winterswijk-Oost. Het plan is voorbereid, vastgesteld en goedgekeurd op grond van de artikelen 18 en 19 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: de Rwc).

2.2.1.    Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Rwc kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Gelet op het doel en de strekking van de Rwc betekent dit echter niet dat beroep openstaat tegen alle onderdelen van het plan. Tegen elementen die  niet zijn gericht op rechtsgevolg kan geen beroep worden ingesteld. De beroepen voor zover gericht tegen deze onderdelen zijn niet-ontvankelijk.

2.2.2.    Op 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: de Wilg) in werking getreden.

   Ingevolge artikel 95, derde lid, van de Wilg, voor zover hier van belang, worden herverkavelingen op basis van de Rwc, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel uitgevoerd met inachtneming van het bij of krachtens de Wilg bepaalde.

   Gelet hierop is in artikel 109 van de Wilg bepaald dat titel 6 van hoofdstuk 3 van de Rwc, welke titel bepalingen bevat omtrent herverkaveling, vervalt, en dat artikel 48 van de Rwc wordt gewijzigd, in die zin dat de hoofdstukken 4 tot en met 8, 10 en 11 van de Wilg van overeenkomstige toepassing worden verklaard indien herverkaveling als een van de in artikel 11, tweede lid, onderdeel e, van de Rwc bedoelde maatregelen of voorzieningen in het reconstructieplan is opgenomen.

   Ingevolge artikel 95, vierde lid, van de Wilg, voor zover hier van belang, wordt bij regeling van de Minister ten aanzien van de in het derde lid bedoelde herverkavelingen bepaald op welke wijze procedure-onderdelen en besluiten op basis van de Rwc worden gelijkgesteld met procedure-onderdelen en besluiten op basis van de Wilg. Bij deze regeling kan, in afwijking van het derde lid, worden bepaald dat naar gelang de voortgang of overige omstandigheden van een herverkaveling als bedoeld in het derde lid, bepalingen van de Wilg ten aanzien van die herverkaveling buiten toepassing blijven dan wel bepalingen uit de Rwc daarop van toepassing blijven.

2.2.3.    Op 14 december 2006 heeft de Minister, onder meer ter uitvoering van artikel 95, vierde lid, van de Wilg de Regeling inrichting landelijk gebied vastgesteld (Stcr. 21 december 2006, nr. 249) (hierna: de Regeling).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat een uitwerking van het reconstructieplan, als bedoeld in artikel 18 van de Rwc en voor zover hierbij sprake is van herverkaveling als bedoeld in titel 6 van hoofdstuk 3 van de Rwc, die is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Wilg en die wordt voltooid volgens de bepalingen van de Wilg, wordt gelijkgesteld aan het inrichtingsplan, als bedoeld in artikel 17 van de Wilg.

   Ingevolge artikel 24 van de Regeling worden de op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wilg afgeronde procedure-onderdelen en proceduremomenten geacht te zijn afgerond overeenkomstig de Wilg.

2.2.4.    Uit het bovenstaande volgt dat op de uitvoering van een, vóór de inwerkingtreding van de Wilg, vastgesteld uitwerkingsplan dat betrekking heeft op herverkaveling, de hoofdstukken 4 tot en met 8, 10 en 11 van de Wilg van toepassing zijn. Gelet hierop is in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling dan ook bepaald dat een uitwerkingsplan, voor de uitvoering ervan, gelijk wordt gesteld met een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wilg.

De Afdeling ziet aanleiding om voor de mogelijkheden van beroep tegen een uitwerkingsplan aan te sluiten bij de mogelijkheden van beroep tegen een inrichtingsplan, zoals is neergelegd in artikel 19 van de Wilg. Allereerst is hierbij van belang dat het onderhavige uitwerkingsplan, zoals is overwogen in overweging 2.2., betrekking heeft op herverkaveling en op grond van de Wilg zal worden uitgevoerd. Het uitwerkingsplan wordt in dit verband dan ook gelijkgesteld met een inrichtingsplan. Daarnaast is van belang dat in de Memorie van Toelichting bij de Wilg (TK 2005-2006, 30509, nr. 3, pagina 53) ten aanzien van artikel 19 van de Wilg wordt vermeld dat de daarin opgesomde beroepsmogelijkheden tegen een inrichtingsplan zijn beperkt tot de onderdelen die zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dit komt overeen met hetgeen in overweging 2.2.1. is overwogen omtrent de beroepsmogelijkheden tegen een reconstructieplan dan wel de uitwerking daarvan, welke mogelijkheden immers eveneens zijn beperkt tot elementen die op rechtsgevolg zijn gericht.

2.2.5.    Voor zover hier van belang is in artikel 19 van de Wilg bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling of wijziging van een inrichtingsplan beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover het betreft:

a. de begrenzing van de blokken;

b. de aanduiding van voorzieningen, inhoudende de toepassing van een korting;

c. de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut;

d. de aanduiding van wegen met de daartoe behorende kunstwerken en de opname van wegen met de daartoe behorende kunstwerken als openbare weg.

2.2.6.    Onder blok, waarnaar artikel 19, aanhef en onder a, van de Wilg verwijst, wordt in artikel 1 van de Rwc verstaan het geheel van in een herverkaveling begrepen onroerende zaken.

   Onder toepassing van een korting, waarnaar artikel 19, aanhef en onder b, van de Wilg verwijst, werd in artikel 67, eerste lid, van de Rwc verstaan de vermindering van de totale oppervlakte van alle in het blok opgenomen gronden tot een maximum van vijf procent met de oppervlakte van de bij de herverkaveling betrokken gronden.

   Onder toewijzing van eigendom van voorzieningen van openbaar nut, waarnaar artikel 19, aanhef en onder c, van de Wilg verwijst, wordt in artikel 19, tweede lid, onder c, van de Rwc verstaan de toewijzing van:

    1°. wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daartoe behorende kunstwerken;

   2°. gebieden van belang uit een oogpunt van natuur- en landschapsbehoud en elementen van landschappelijke, recreatieve, cultuurhistorische, aardkundige of natuurwetenschappelijke waarde;

   3°. andere voorzieningen van openbaar nut;

   Onder toewijzing van het beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut, waarnaar artikel 19, aanhef en onder c, van de Wilg eveneens verwijst, wordt in artikel 19, tweede lid, onder d, van de Rwc verstaan de toewijzing en regeling van beheer en onderhoud van binnen een blok gelegen wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daartoe behorende kunstwerken.

Ontvankelijkheid

2.3.    Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen gericht tegen het besluit tot vaststelling en goedkeuring van het uitwerkingsplan, overweegt de Afdeling ambtshalve als volgt.

2.3.1.    In het uitwerkingsplan wordt ten aanzien van de door appellanten bestreden onderdelen natuur, water en leefbaarheid het volgende vermeld:

Natuur

   "De gronden voor nieuwe natuur waarvan de natuurdoelen lastig zijn te realiseren door particulieren en/of samenwerkende particulieren en gronden voor nieuwe natuur die deel uitmaken van een begrensd gebied dat voor een groot deel in eigendom is van een erkende natuurbeschermingsorganisatie gaan in eigendom, beheer en onderhoud naar die natuurbeschermingsorganisatie. De Dienst Landelijk Gebied werkt samen met de provincie aan een advies over de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur, waarbij gekeken wordt naar de keuze voor publiek of privaat beheer. Daarna kan de grondverwervingsbehoefte definitief worden bepaald. Vooralsnog wordt de grondbehoefte berekend op basis van de door het ministerie van LNV gehanteerde verdeling; 60% publiek eigendom en beheer, 40% privaat eigendom en beheer. Met publiek eigendom en beheer wordt bedoeld eigendom en beheer door een erkende terreinbeherende organisatie."

Water

   "Langs de HEN- en SED (water van het Hoogste Ecologisch Niveau respectievelijk water met een Specifieke Ecologische Doelstelling) beken (hierna: HEN en SED beken) worden stroken grond van gemiddeld 10 meter breed toegedeeld aan het waterschap (Boven Slinge gemiddeld 15 meter). Bij landgoederen die zijn gerangschikt onder de Natuurschoonwet (hierna: NSW-landgoederen) en bij terreinbeherende organisaties wordt overgegaan tot de vestiging van een zakelijk recht. De gronden voor aanleg van schouwpaden langs hoofdwatergangen worden in eigendom, beheer en onderhoud toegedeeld aan het waterschap. Bij NSW-landgoederen zal een zakelijk recht worden gevestigd. Over het gebruik van gronden voor waterretentie worden afspraken gemaakt tussen het waterschap en de eigenaren van de gronden. De Landinrichtingscommissie is ook bereid deze gronden aan het waterschap toe te delen."

Leefbaarheid, fietspad langs Wooldseweg

   "De gronden voor deze fietsverbinding zullen door korting (ex artikel 67, eerste lid, onder d, van de Rwc) worden verworven en toegewezen aan de gemeente."

   Naar aanleiding van de gewijzigde vaststelling van het plan is het volgende tekstblok toegevoegd aan de onderdelen water en leefbaarheid.

   "Toedeling van stroken langs de HEN en SED beken, de aanleg van schouwpaden langs een aantal beken en de voorgenomen aanleg van een fietspad langs de Wooldseweg zullen niet worden gerealiseerd indien hiermee de Natuurschoonwet-status negatief wordt beïnvloed."

2.3.2.    Gezien de hier aan de orde zijnde beroepen en hetgeen in overweging 2.2.5. is overwogen in aanmerking genomen, staan de volgende onderdelen van het uitwerkingsplan open voor beroep.

- De toepassing van een korting voor de aanleg van de fietsverbinding langs de Wooldseweg op grond van artikel 67, eerste lid, onder d, van de Rwc.

- De toewijzing van de eigendom aan een natuurbeschermingsorganisatie van de gronden voor nieuwe natuur waarvan de natuurdoelen lastig zijn te realiseren door particulieren en/of samenwerkende particulieren en de toewijzing van de eigendom van gronden voor nieuwe natuur die deel uitmaken van een begrensd gebied dat voor een groot deel in eigendom is van een erkende natuurbeschermingsorganisatie.

- De toewijzing van de eigendom van stroken grond van gemiddeld 10 en 15 meter langs HEN en SED beken aan het waterschap.

- De toewijzing van de eigendom, het beheer en het onderhoud van gronden langs hoofdwatergangen aan het waterschap voor de aanleg van schouwpaden.

- De toewijzing van de eigendom van de gronden voor de fietsverbinding Wooldseweg aan de gemeente Winterswijk.

- De opname van de gronden voor de fietsverbinding Wooldseweg als openbare weg.

   Ten aanzien van de toepassing van een korting voor de aanleg van de fietsverbinding overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 109 van de Wilg artikel 67, eerste lid, onder d, van de Rwc, thans is vervallen. De Wilg bevat echter in artikel 56, eerste lid, onder d, een gelijkluidende bepaling, welke gelet op artikel 48 van de Rwc thans van toepassing is op de uitvoering van het uitwerkingsplan.

2.3.3.    [appellanten sub 5], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 7] stellen in beroep dat de vernattingsmaatregelen en de maatregel die voorziet in nieuwe natuur ten onrechte niet zijn onderbouwd met onderzoeksgegevens. Bovendien leiden de maatregelen naar de mening van appellanten tot nadelige gevolgen voor vee en gewassen en gaan de maatregelen ten koste van de huidige flora en fauna. Ten slotte stellen zij dat de gronden in waarde zullen verminderen als gevolg van de te nemen vernattingsmaatregelen.

   [appellant sub 1] stelt in beroep onder meer dat de maatregel, gericht op het herstel van de Stortelersbeek, niet voldoende is onderbouwd. Daarnaast vormen de in het uitwerkingsplan voorziene zoekgebieden voor de aanleg van waterretentie naar haar mening een bedreiging voor de functies landbouw, bos en wonen en is de maatregel niet met onderzoeksgegevens onderbouwd.

2.3.4.    De beroepen van [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellanten sub 7] en het beroep van [appellant sub 1], voor zover dat betrekking heeft op de Stortelersbeek en de waterretentiegebieden, zien niet op enig in overweging 2.3.2. genoemd appellabel onderdeel van het uitwerkingsplan. De Afdeling overweegt in dit verband dat in de beroepschriften van genoemde appellanten geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de bezwaren tegen de vernattingsmaatregelen betrekking hebben op de eigendomsoverdracht van gronden langs de HEN en SED beken aan het waterschap. Blijkens het uitwerkingsplan wordt met deze eigendomsoverdracht beoogd de beken op ecologische wijze in te passen in het landschap.

   Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen van  [appellanten sub 5], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 7] in het geheel niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht op de Stortelersbeek en de waterretentiegebieden.

De fietsverbinding langs de Wooldseweg

De standpunten van [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 1]

2.4.    [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 1] komen in beroep op tegen de toewijzing van eigendom van de gronden voor de fietsverbinding Wooldseweg aan de gemeente Winterswijk alsmede tegen de toepassing van de korting op grond van artikel 67, eerste lid, onder d, van de Rwc, thans artikel 56, eerste lid, onder d, van de Wilg. Zij hebben met name bezwaar tegen het feit dat zij (landbouw)gronden moeten afstaan ten behoeve van de aanleg van de fietsverbinding. Bovendien vrezen appellanten dat door de aanleg van deze fietsverbinding niet langer kan worden voldaan aan de in de Natuurschoonwet 1928 neergelegde criteria. Voorts betwijfelen alle appellanten het nut en de noodzaak van de aanleg van de fietsverbinding en wijzen zij op reeds aanwezige, en veelal verkeersveiliger, alternatieve fietsroutes. Naar hun mening weegt het belang dat met het fietspad is gediend niet op tegen de aantasting van de bestaande natuurwaarden die de aanleg van de fietsverbinding met zich meebrengt. [appellanten sub 4] stellen verder dat de voorziene fietsverbinding in strijd is met provinciaal beleid. [appellanten sub 3] vrezen dat de fietsverbinding de ontsluiting van hun bedrijf ernstig zal belemmeren en tot verkeersonveilige situaties ter plaatse zal leiden. Ten slotte stellen [appellanten sub 4] dat de fietsverbinding zal leiden tot vermindering van de sociale veiligheid.

Het standpunt van verweerders

2.4.1.    In het verweerschrift benadrukken verweerders dat de aanleg van een verkeersveilige fietsverbinding langs de Wooldseweg een uitdrukkelijke wens is van de gemeente Winterswijk. Het fietspad zal op een verantwoorde wijze worden ingepast in het landschap en voorafgaand aan de daadwerkelijke aanleg zal een verkeersveilige oplossing worden gevonden voor de kruising van het fietspad met de in- en uitrit van het bedrijf van [appellanten sub 3], aldus verweerders.

Ten slotte wijzen verweerders erop dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan is aangetekend dat de aanleg van het fietspad niet kan worden uitgevoerd indien hiermee de Natuurschoonwet-status negatief wordt beïnvloed.

De vaststelling van de feiten

2.4.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.3.    Op pagina 33 van het uitwerkingsplan is vermeld dat in de aanleg van de fietsverbinding langs de Wooldseweg wordt voorzien teneinde de verkeersveiligheid te verhogen.

2.4.4.    Op pagina 37 van het uitwerkingsplan is vermeld dat aanpassingen van het bestemmingsplan voor het realiseren van voorzieningen of het treffen van maatregelen gebeurt via de geëigende planologische procedures.

Toepasselijke wet- en regelgeving

2.4.5.    Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de Rwc wordt in de uitwerking van het reconstructieplan aangegeven voor welke delen van het plangebied artikel 27 van de Rwc van toepassing is.

   Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Rwc, voor zover van belang, geldt het reconstructieplan voor in het reconstructieplan overeenkomstig artikel 11, zesde lid, van de Rwc aangewezen delen van het reconstructiegebied als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO)

   Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Rwc, geldt, voor zover de in het eerste lid bedoelde delen van het reconstructieplan en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het reconstructieplan voor de uitvoering daarvan als een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, onder I, van de Wegenwet wordt onder wegen mede verstaan rijwielpaden.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.6.    De Afdeling overweegt dat verweerders zich in de stukken alsook ter zitting op het standpunt hebben gesteld dat het verhogen van de verkeersveiligheid de reden is om de fietsverbinding aan te leggen met toepassing van een korting op de toedeling op basis van het voormalige artikel 67, eerste lid, onder d, van de Rwc. De Afdeling acht de toepassing van een korting op de toedeling ten behoeve van de aanleg van een verkeersveilige fietsverbinding op zichzelf passend, maar overweegt dat ter zitting eveneens is gebleken dat de aanleg van de desbetreffende fietsverbinding langs de Wooldseweg afhankelijk is gesteld van twee nader genoemde ontwikkelingen. Zo is bij de vaststelling van het uitwerkingsplan bepaald dat het fietspad niet zal worden verwezenlijkt indien daarmee de Natuurschoonwet-status van de gronden negatief zal worden beïnvloed. Voorts is in de stukken alsook ter zitting door verweerders gesteld dat voorafgaand aan de aanleg van de fietsverbinding nog overleg zal worden gevoerd over het exacte tracé van de fietsverbinding, waarbij aandacht zal worden besteed aan veilige in- en uitritten voor de aan het voorziene fietspad gelegen agrarische bedrijven. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat onduidelijk is óf de desbetreffende fietsverbinding zal worden gerealiseerd en zo ja, wat het exacte tracé zal zijn van de fietsverbinding. Deze onzekerheid strijdt naar het oordeel van de Afdeling met de in dit plan vastgestelde maatregelen inhoudende de toepassing van de korting en de toewijzing van eigendom van de gronden aan de gemeente Winterswijk en de uit deze maatregelen voortvloeiende status van de gronden als openbare weg.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de besluiten tot de toepassing van een korting op de toedeling, de toewijzing van de eigendom en de hieruit voortvloeiende status van de gronden als openbare weg, in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepen van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 4] zijn geheel gegrond en het beroep van [appellant sub 1] is, voor zover ontvankelijk en gericht op de fietsverbinding, eveneens gegrond, zodat het besluit tot vaststelling van het uitwerkingsplan dient te worden vernietigd voor zover het betreft de fietsverbinding langs de Wooldseweg.

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het uitwerkingsplan.

   De overige door deze appellanten aangevoerde bezwaren hebben met name betrekking op het nut en de noodzaak alsmede de gevolgen van de aanleg van de fietsverbinding voor de natuurwaarden in de directe omgeving. Nog afgezien van het feit dat thans onduidelijk is óf de fietsverbinding zal worden aangelegd, en zo ja, welk tracé de fietsverbinding dan zal volgen, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren volledig in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kunnen komen. Het bestemmingsplan is immers bepalend voor het kunnen uitvoeren van de in dit uitwerkingsplan beoogde maatregelen, nu in het uitwerkingsplan niet de bepaling is opgenomen dat het uitwerkingsplan geldt als vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Rwc.

Nieuwe natuur

Het standpunt van [appellant sub 2] en [appellant sub 1]

2.5.    [appellant sub 2] en [appellant sub 1] komen in beroep op tegen de aanduiding "aan te leggen nieuwe natuur" op hun percelen. Zij hebben met name bezwaar tegen het feit dat deze aanduiding tot gevolg heeft dat zij hun gronden moeten afstaan aan een natuurbeschermingsorganisatie, indien zij niet bereid zijn de natuurdoelstelling ter plaatse zelf te realiseren. [appellant sub 1] voert in dit verband mede aan dat zij niet bereid is de pachtovereenkomst die zij heeft gesloten met de pachters van het perceel [locatie 1] op te zeggen. Appellanten wensen beiden dat de agrarische bedrijven ter plaatse kunnen worden gecontinueerd.

Het standpunt van verweerders

2.5.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de beoogde aanleg van nieuwe natuur op de gronden van appellanten een vrijwillige maatregel betreft die alleen in goed overleg en tegen betaling kan worden geëffectueerd. Indien met de huidige eigenaar daarover geen afspraken kunnen worden gemaakt dan bestaat de mogelijkheid het desbetreffende perceel toe te delen aan een rechthebbende die wel bereid is hierover afspraken te maken. Zodanige toedeling is echter niet mogelijk zonder voldoende compensatie van de vertrekkende eigenaar, aldus verweerders. Wat betreft het bedrijf van [appellant sub 2] stellen verweerders zich op het standpunt dat nog steeds wordt gestreefd naar de verwezenlijking van nieuwe natuur ter plaatse en dat de onderhandelingen met de Dienst Landelijk Gebied, naar de mening van verweerders, nog niet zijn beëindigd.

De vaststelling van de feiten

2.5.2.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.3.    [appellant sub 2] exploiteert een melkveehouderijbedrijf aan de [locatie 2] te [plaats]. [appellant sub 1] verpacht de gronden aan de [locatie 1] te [plaats].

Blijkens de plankaart behorend bij het uitwerkingsplan is aan beide percelen de aanduiding "aan te leggen nieuwe natuur" toegekend.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.4.    De Afdeling overweegt dat de toewijzing van de eigendom van de gronden waarop de nieuwe natuur is voorzien aan een andere rechthebbende dan appellanten eerst kan plaatsvinden indien de gronden worden herverdeeld in een zogenoemd plan van toedeling. Tegen een dergelijk plan van toedeling, dat deel uitmaakt van een ruilplan, staat afzonderlijk beroep open bij de burgerlijke rechter ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Wilg. Derhalve kan in deze procedure uitsluitend worden beoordeeld of de toewijzing van de eigendom van gronden met de aanduiding nieuwe natuur aan een natuurbeschermingsorganisatie passend is. De Afdeling overweegt in dit verband dat uit de tekst van het uitwerkingsplan blijkt dat alleen zal worden overgegaan tot toewijzing van de gronden aan een natuurbeschermingsorganisatie indien de natuurdoelen ter plaatse lastig zijn te realiseren door particulieren en/of samenwerkende particulieren. Onduidelijk is onder welke omstandigheden sprake is van door particulieren lastig te realiseren natuurdoelen. Derhalve is eveneens onzeker of de percelen [locatie 2] en [locatie 1] zullen worden toegewezen aan een natuurbeschermingsorganisatie.

   Gelet hierop is het besluit tot toewijzing van de gronden aan een natuurbeschermingsorganisatie indien de natuurdoelen lastig zijn te realiseren door particulieren en/of samenwerkende particulieren in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellant sub 2] is geheel gegrond en het beroep van [appellant sub 1], is, voor zover ontvankelijk, voor het overige gegrond, zodat het besluit tot vaststelling van het uitwerkingsplan dient te worden vernietigd voor zover het betrekking heeft op de aanduidingen "aan te leggen nieuwe natuur" ter plaatse van de percelen [locatie 2] en [locatie 1], beide te [plaats].

Tevens dient gelet op artikel 29, tweede lid, van de Rwc het goedkeuringsbesluit te worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het hiervoor genoemde onderdeel van het uitwerkingsplan.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van appellanten geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling voor [appellanten sub 5], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 7] bestaat geen aanleiding.

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld.

Wat betreft [appellanten sub 4], [appellanten sub 3] en [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 5], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 7] geheel, en het beroep van [appellant sub 1] voor zover het is gericht op de Stortelersbeek en de waterretentiegebieden niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en het beroep van [appellant sub 2] geheel, en het beroep van [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van provinciale staten van Gelderland van 12 oktober 2005, kenmerk PS2005-615, voor zover het betreft de fietsverbinding langs de Wooldseweg en de aanduidingen "aan te leggen nieuwe natuur" ter plaatse van de percelen [locatie 2] en [locatie 1], beide te [plaats];

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 december 2005, kenmerk DRZO, 2005/2156, voor zover het betreft de goedkeuring van de onder III. genoemde onderdelen van het uitwerkingsplan;

V.    veroordeelt provinciale staten van Gelderland, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van € 362,03 (zegge: driehonderdtweeënzestig euro en drie cent) waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan appellante;

VI.    gelast dat de provincie Gelderland en de Staat der Nederlanden gezamenlijk aan de hierna te noemen appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoeden; deze bedragen dienen door de provincie Gelderland op de volgende wijze te worden betaald:

- aan [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] elk een bedrag van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Rop

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

417-461.